Introductiedagen

Bij een nachtelijk uitlaten van de hond zie ik een jongeman roerloos midden op straat liggen, zijn benen nog half over zijn fiets. Hij ligt pal bij de plek waar de straat een verhoging krijgt naar de kruising. Neem daar de bocht niet helemaal goed en je glijdt uit, zeker als je evenwicht door alcoholgebruik sterk verminderd is. Ik heb mijn mobiel niet bij me, maar gelukkig zie ik een eindje verderop drie studenten thuiskomen. “Hebben jullie een mobiel bij je? Er ligt hier iemand roerloos op straat! Wil je alsjeblieft de hulpdiensten bellen?!” Ze komen aarzelend dichterbij, twee meisjes en een jongen. De jongen vraagt: “Wie moet ik dan bellen?”
“112 natuurlijk!”
Het kleinste meisje staat bijna verlamd van schrik naar de gevallen jongeman te kijken, het andere meisje is al doortastend aan het bellen. Mijn hond trekt aan de lijn, hij wil het liefst zelf poolshoogte nemen. Het kleine meisje zegt zachtjes: “Ik kan niet zo goed tegen honden.” Ik ook niet tegen zijn getrek en ik besluit hem naar huis te brengen, amper 200 meer verderop. Binnen enkele minuten ben ik terug en blijkt de ambulance al gearriveerd. Rond het hoofd van de gevallen jongeman, ik schat hem op 19, 20 jaar, is zich een enorme plas bloed aan het vormen. Het komt uit zijn achterhoofd vandaan, maar het ambulance personeel richt zich op het meten van vitale functies.
Het kleinste meisje staat frontaal tegen de jonge student die zijn armen beschermend en troostend om haar heen heeft. Het meisje dat gebeld heeft moet even later tal van vragen van de politie beantwoorden. Ze zegt dat ‘die mevrouw hem gevonden heeft’, maar daar heeft de politie kennelijk geen boodschap aan. Ze zoeken naar sporen op de straat en op geparkeerde auto’s. Op éen auto menen ze een gedeelte van een voetafdruk te vinden, naast de buitenspiegel. Het kan kloppen met hoe de ongelukkige pal daarbij schuin met zijn achterhoofd op de straatstenen geklapt is. Misschien reed de jongen bijna tegen de geparkeerde auto aan en heeft hij net de verkeerde beslissing genomen door zijn voet te gebruiken om de aanrijding (met de stilstaande auto?) te voorkomen.
Of er is iets anders gebeurd. Dat kan de politie niet uitsluiten.
Ik kan alleen maar vertellen dat ik hem vermoedelijk kort na zijn val gevonden heb, want toen zag ik nog geen bloed. Nee, ik heb hem niet zien vallen.

De volgende ochtend zie ik twee agenten druk doende met nog meer sporenonderzoek, ook op de fiets van de jongen, maar die ziet er vrijwel onbeschadigd uit. Later hoor ik dat de politie ook een buurtonderzoek heeft gedaan en de lokale nieuwszender brengt ‘s middags een bericht dat niet duidelijk is of de jongen door eigen toedoen gevallen is of er iets anders is gebeurd en roept getuigen op zich te melden.
De jongeman kan niet getuigen, hij ligt op de IC vertelt de politie. Het is niet best, zeker niet gelet op het alcohol promillage in zijn bloed…

Hoogst waarschijnlijk zijn er geen getuigen. ‘s Nachts om twee uur is het doodstil bij ons in de wijk, op enkele thuiskomende of vertrekkende studenten na. Ze komen in deze dagen ‘s nachts thuis van de feesten tijdens de introductiedagen waar traditiegetrouw de alcohol rijkelijk vloeit. Degenen die al huisvesting hebben in de stad bieden vaak logies aan eerstejaars. Zo ook het kleine meisje aan de twee andere studenten.
De ontgroeningsrituelen zijn niet meer zo heftig als enkele decennia geleden, maar gebruikt wordt er meer dan ooit. Elk jaar eisen de introductieweken slachtoffers.
Je zal maar de ouders zijn van zo’n jong kind dat nu op de IC ligt.
Trots op deze nieuwe levensfase, vol vertrouwen of misschien een beetje onzeker zie je zoon of dochter voor het eerst het huis uitgaan en je wenst hem of haar het beste, het begin van een mooie toekomst. En dan krijg je ineens het bericht dat je kind op de IC voor zijn leven ligt te vechten.
Alcohol… het maakt kapot wat je lief is…

Vuil

Straatvuil is volgens sommigen een bejaarden onderwerp. Jeugd zul je er inderdaad zelden over horen en dat lijkt me een deel van het probleem. Tenzij die jeugd met een puppy over straat loopt. Want dan merk je pas goed hoe erg het gesteld is met de troep op straat. Mijn pup vond de eerste weken op ongeveer elke meter bestrating wel iets van zijn gading. Plastic dopjes, verpakkingsmaterialen, lege blikjes en koffiebekers, babysokjes, handschoenen, touwtjes enz. enz.. Na twee maanden hard trainen waren we eindelijk zover dat hij het meeste op commando weer los liet, maar papieren zakdoekjes en alles wat zelfs maar in de verte riekte naar eten moest ik nog steeds uit zijn bek zien te halen voor hij het misschien doorslikte. Hele sokken van een grote mannenmaat slikte hij door… We hebben geluk gehad dat hij die na een paar dagen weer uitkotste, als zo’n kunststof sok vast was komen te zitten in zijn darmen was de ellende niet te overzien geweest.
Mijn hond is nu tien maanden en “ahah!” en “viesbah” volstaan meestal en zo niet werkt het commando “los”. Nog slechts een enkele keer moet ik iets uit zijn bek halen.
Ik denk geregeld aan vissen en andere (zee)dieren waarbij niemand in de buurt is om ze te leren van plastic en andere troep af te blijven, laat staan het tijdig uit hun bek te halen.
Ik vraag me af: waarom is de mens zo’n vervuilend wezen?
Dat plastic zakjes nu een beetje geld kosten zorgt er zoals verwacht voor dat er minder daarvan over straat zwerven. Maar nog steeds barst het van andere plastic zakjes en bakjes waar broodjes, salade of god mag weten wat in heeft gezeten. Vooral lunchverpakkingen zijn veel op straat te vinden. Dat lijkt me toch vooral een mentaliteitskwestie al is de rol van vogels die zaken uit prullenbakken halen ook niet gering. Dat vogels veel plastic en andere gezondheid schadende troep binnen krijgen lijkt me evident, dat ze afvalmaterialen in hun nesten verwerken is niet alleen grappig.
Legio zijn de filmpjes op internet waarbij (zwem)vogels en allerlei andere diersoorten bevrijd worden van afval van de meest uiteenlopende materialen.
Bouwafval, netten e.d. buiten beschouwing latend, lijkt een belangrijk deel van het zwerfvuil probleem te beginnen bij onze veranderde leefgewoonten. Ik zie al jaren schooljeugd bij bushaltes hele zakken chips e.d. verorberen, al lopend (een stukje van) de verpakking van een candybar of ander snoepgoed laten vallen…
Op mooie dagen is het afval dat in de parken achterblijft van picknicks zo exorbitant dat de hoeveelheid prullenbakken nimmer toereikend zal zijn en er grote schoonmaakploegen in de vroege ochtenduurtjes de schade proberen te beperken. De in de vijver gegooide flessen en bekers zijn dan al lang naar de bodem gezakt.

Het broodtrommeltje lijkt aan een revival begonnen te zijn, maar niet zodanig dat er niet hele volksstammen zaken die moeten doorgaan voor een lunch bij supermarkten, bakkers en horeca aanschaffen, met alle verpakkingen vandien. Niet alleen de verpakkingsindustrie maar vooral de voedingsindustrie vaart er wel bij. Van de producten van de voedingsindustrie is gevoeglijk bekend dat het steeds minder met echte voeding te maken heeft.
Wanneer gaan we inzien dat de troep die we achterlaten het gevolg is van hoe we onszelf vervuilen?

Eerste indrukken

We zitten in de koelte en bij het licht van kaarsen in de tuin na te genieten van een geslaagde dag en praten over eerste indrukken die mensen op je maken.
Zijn ons mensen bijgebleven die we gezien hebben vandaag? In het drukke restaurant waar we zo verrukkelijk gegeten hebben bijvoorbeeld? Naast de mensen van de bediening kan ik me maar éen gezicht een beetje voor de geest halen. Eigenlijk niet eens zo goed zijn gezicht, maar zijn voorkomen. Hij viel me op toen hij met een servet zijn hele gezicht en kaal hoofd afveegde. Toen hij klaar was zette hij zijn pet weer op. Het was een lange, zeker niet onknappe donkere man in gezelschap van iemand die zijn voorkomen kennelijk ook belangrijker vond dan de warmte, hij had zo’n gebreide half lange oversized rastamuts op, met een dikke rol in de nek tot op de schouders.
Mijn vriend had een vrouw onthouden die hem steeds aan zat te kijken en hem kennelijk heel leuk vond om te zien.
Ja logisch dat jij die hebt onthouden, lach ik.
Waarom maken er zo weinig mensen indruk op ons? Zijn wij zo kritisch of zo apart?
Over apart gesproken: die vriendin van hem die we ‘s middags gezien hadden, vind ik wel een apart type. Nu is het de beurt van mijn vriend om te lachen. Een apart type die iemand anders een apart type vindt.
Natuurlijk vind ik mezelf niet zo apart.
Onthouden we mensen beter die we apart vinden, bijzonder, afwijkend?
Terwijl ik buiten het restaurant op de komst van mijn vriend wachtte had ik tien minuten lang een lange stoet mensen voorbij zien komen op de drukke gracht. Ik moet diep in mijn geheugen graven voor ik me daar ook maar iemand van kan herinneren. Dan herinner ik me een lang meisje met haar bebrilde vriend die het burger restaurant schuin tegenover me ingingen. Ik herinner dat omdat haar benen me opvielen: lange benen onder een spijkershort. Witte benen met aan alle kanten grote rode vlekken, alsof ze heel vreemd gezeten had ergens.
En oh ja, nog een vrouw viel me op door haar benen. Een blondine van naar schatting achter in de dertig met drie vrienden op stap. Haar bruine benen kwamen onder een eveneens blauw short vandaan. Ze was niet lang, duidelijk korter dan haar gezelschap en compenseerde dat met rode sandalen met hoge hakken. Haar benen waren goed gevormd, maar dat was niet waarom ik haar onthouden had. Haar benen zaten ruim in het vel waardoor ze tijdens het lopen volop beweging lieten zien. Afwijkende uiterlijkheden, die onthoud ik kennelijk. Zegt dat wat over mij of is dat ‘gewoon’ menselijk?
Van feestjes herinner ik me vooral de mensen waar ik een echt gesprek mee heb gevoerd.

Het bovenstaande is niet vrij van oordelen. Niet oordelen, alleen waarnemen en benoemen is moeilijker dan het lijkt en een belangrijke les bij meditaties in de boeddhistische tradities.
In het jaar dat ik mijn eerste meditatielessen kreeg, overkwam me tijdens een lang moment ‘stilzitten’ dat ik ineens allemaal gezichten voor me zag. Duizenden gezichten gingen in hoog tempo aan mijn geestesoog voorbij. Ik slaagde erin me te beperken tot waarnemen en er geen gedachtes bij te hebben of bij een gezicht te blijven ‘hangen’.
Uiteindelijk nam het tempo af en stopte het voorbij zien komen van al die gezichten en ineens wist ik: Dat waren allemaal gezichten van mensen die ik ooit in mijn leven even gezien had, even oogcontact mee had, op straat, in een bus, trein, bij een loket enz. Een deel van mijn beelddatabank die tijdens die meditatie even werd opgeschoond.
Dat ruimde op!

Bange mensen

We gaan bij de vijver zitten. Ik op een van de twee bankjes, mijn hond schuin daarvoor op het gras. Mooi plekje is dit, we genieten samen van het uitzicht en de rust.
Als ik even om me heen kijk, zie ik twee jonge vrouwen aankomen; de een gekleed in een lange broek met blouse, de ander in een uitbundige zomerjurk met veel grote bloemen. Aan de zwarte kousen en korte laarsjes daaronder maak ik op dat ze op een kantoor werkt. De spulletjes die ze allebei in hun handen dragen zullen wel als lunch gaan dienen. Ze kijken onze kant op, kennelijk zit ik op hun favoriete bankje. Ik draai me af, als ik hen negeer doet mijn hond dat ook.
Maar ze gaan omstandig staan aarzelen of ze het andere bankje, zo’n vier meter bij ons vandaan nu wel of niet zullen gaan bezitten. Als ze eindelijk zitten hebben ze inmiddels de volle aandacht van mijn 9 maanden jonge reu.
Met kracht gaat hij hun kant uit, hij is aan de lijn, maar het bankje is glad en met zijn 35 kilo heeft hij behoorlijk wat trekkracht zodat ik naar de andere kant van het bankje glij op mijn in strak katoen gehulde billen. Richting het andere bankje.
De vrouwen slaken een gilletje.
“Hij is aan de lijn hoor,” zeg ik.
Ze staan al in de startblokken om op te staan. Ik ga ook maar staan. Hier blijven zitten is nu niet meer rustig. De uitbundige bloemjurk vraagt: “Bijt ie?”
“Dat weet ik niet,” zeg ik.
Ik hoor nog een zacht gilletje en de beide dames staan en zetten passen achteruit.
Ik kan mijn lachen niet inhouden.
“Natuurlijk niet,” zeg ik. “Sorry hoor, maar jullie zijn zo bang, ik kon het even niet laten om een grapje te maken.”
Hoofdschuddend loop ik weg. “Bijt ie?!”
Omdat het een grote hond is zou hij bijten?
Met de  ervaringen in Brussel nog vers in mijn geheugen begint me op te vallen hoe het aantal mensen dat bang is voor honden hier ook snel toeneemt. Ook bij autochtonen. We noemen de hond al steeds vaker gekscherend ‘het monster’. Zijn robuuste voorkomen, zijn onstuimige jonge honden gedrag en wellicht ook de enorme haarpartij voor zijn ogen schrikt mensen af kennelijk. Sinds hij een paar maanden terug een klein wondje op zijn kop opliep wil hij geen speldje meer in zijn haar. Daar moet toch maar gauw verandering in komen, als je zijn ogen kunt zien, oogt dat wellicht vriendelijker. Toch heb ik er weinig vertrouwen in dat het veel zal uitmaken.

Angst is een slechte raadgever.

Men lijdt het meest van het lijden dat men vreest.

Wie kent deze twee spreekwoorden niet?

Maar we leven in een angstcultuur. Overheden spelen sinds 9/11 handig in op de angsten van de mensen. Onder het mom van veiligheid nemen overheden maatregelen die onze privacy inmiddels vrijwel volledig om zeep hebben geholpen. Maak het volk angstig en je kunt je macht makkelijk vergroten.
Goed beschouwd zijn de Britten dappere mensen, ook al proberen Europese media nog zo hun best te doen ons te vertellen wat voor ellende de Britten bezig zijn zich op hun hals te halen.
Wat Turkije betreft kunnen we nog slechts hopen dat de maatregelen van Erdogan uiteindelijk ook grote delen van zijn aanhang tot inkeer brengen.

Van mijn honden heb ik geleerd niet bang te zijn. Dingen zijn zoals ze zijn en door met volle aandacht in het nu te zijn, kun je veel beter anticiperen op wat er op je pad komt. Details zullen je niet ontgaan, signalen zul je eerder oppakken dan als je angstig bent. Mijn huidige jonge hond is ook een dapper dier. Op onbekend terrein gaat hij voor, in het vertrouwen dat ik wel aan zal geven als dat niet meer kan. Of heel misschien ooit aanzet tot actie. Ik hoop dat dat nooit nodig zal zijn.
Het is bijna niet meer voor te stellen, maar tot zo’n 15 jaar geleden liepen honden nog vaak los. Om redenen van veiligheid is loslopen nu vrijwel overal verboden. Maar sinds dat niet meer mag, zijn er steeds meer honden die volgens hun eigenaren ook niet los kúnnen om wat voor verknipte reden dan ook. Steeds meer mensen zijn bang voor honden, steeds minder mensen weten nog hoe met een hond om te gaan.
Mijn hond vindt angstige mensen nu vooral nog grappig en een enkele keer lastig, maar hij voelt per keer ook dat zijn macht toeneemt, dat maakt het opvoeden steeds lastiger. Zonder goede training en voorlichting kun je beter niet meer aan je eerste hond beginnen. Bij die trainingen wordt in feite vooral de baas getraind.

Zo is het ook met machthebbers. Ze zijn steeds slimmer, steeds gewiekster, hebben alle kennis over massacommunicatie en -manipulatie tot hun beschikking en bedenken steeds slimmere dingen om ook alle middelen daartoe in handen te krijgen. Erdogan had kennelijk zijn plan voor zuiveringen al lang klaar liggen. Als burger moet je van heel goede huize komen om de moderne middelen van manipulatie en propaganda te doorzien. De media schieten tekort in het geven van voorlichting hierover aan burgers en natuurlijk helemaal als media onder invloed staan van de machthebbers.

Een gedwee volk maakt zijn eigen regeerders steeds machtiger.

kletsnatte Briard

Bijstand

Wethouders van Utrecht, Groningen, Wageningen en Tilburg hebben samen een open brief gestuurd aan staatssecretaris Jetta Kleinsma.  De 4 gemeenten zijn klaar om per 1 januari a.s. te gaan experimenteren met de regels voor de Bijstand en hebben bezwaar tegen het uitstel dat Kleinsma heeft aangekondigd.
De gemeentes willen “willen graag experimenteren binnen de huidige Participatiewet, bijvoorbeeld door minder verplichtingen op te leggen, meer bijverdien mogelijkheden te creëren en meer vertrouwen en regie te geven aan bijstandsgerechtigden.”

Dat levert op Internet meteen vele reacties op van mensen die denken dat bijstandsgerechtigden uitbuiters zijn en dat de beste prikkel blijft bij van alles en nog wat te dreigen de uitkering stop te zetten. Ik vind dat zeer kortzichtig.
Voor mensen met een bijstandsuitkering is het nu totaal onaantrekkelijk om zelfs maar een parttime job te hebben. Vaak levert dat zoveel gedoe op met stilzetten van de uitkering en veel moeite om weer een aanvulling te krijgen, dat mensen het niet aandurven. Degenen die het wel aandurven merken vaak dat ze hogere kosten krijgen.  Al was het maar omdat ze geen tijd meer hebben om op koopjes te jagen en op aanbiedingen te letten. Maar ook het nodig hebben van kleding voor op het werk, vervoerskosten die niet worden vergoed, kosten voor kinderopvang (kleine vergoedingen in het eigen netwerk of moeten voorschieten van professionele opvang) enz. zorgen ervoor dat het beetje geld dat ze mogen houden dat onvoldoende compenseert. Mensen met een bijstandsuitkering hebben doorgaans geen reserves meer. Het eventuele spaargeld dat ze mochten houden voor ze een uitkering kregen, is meestal al gebruikt in tal van noodsituaties.
Bij tijdelijk werk wordt het allemaal nog ingewikkelder en werkt het huidig beleid ontmoedigend.
Ook het grote aantal sollicitaties dat verplicht gedaan moet worden werkt voor menigeen contra productief. Banen krijg je makkelijker door te netwerken dan door standaard sollicitatiebrieven, in sommige werkkringen wordt je zelfs meteen gezien als een loser als je als onbekende met een standaard sollicitatiebrief aankomt.
Via een tijdelijke of parttime klus doe je makkelijker relaties op dan met brieven schrijven

De bijstandsnorm is dusdanig laag dat er mee rond komen een job op zich is en dat ik me niet kan voorstellen dat mensen daar graag mee door gaan als er andere mogelijkheden zijn.
Door meer ruimte te geven aan de bijstandsgerechtigde d.m.v. een groter deel van eenmalige of tijdelijke verdiensten te laten houden en de aanvulling bij parttime werk te versoepelen zal de bijstandsgerechtigde die verhoogde inkomsten graag willen houden. De prikkel om blijvend werk te zoeken wordt daar alleen maar groter van.

En er is een andere belangrijke reden: Bedrijven hebben doorgaans liever iemand die kort geleden nog werk had dan iemand die al geruime tijd uit het arbeidsproces is. Juist daarom is versoepeling van (tijdelijke) bijverdiensten zo belangrijk, zodat er voor de uitkeringsgerechtigde geen belemmeringen zijn om arbeidsritme te behouden en werkervaringen en relaties te blijven opdoen. Vooral in de beroepen die de persoon in kwestie ook echt aanspreken. Want bedrijven hebben ook al lang door dat het verplicht stellen van elke vorm van werk aanpakken geen gemotiveerde medewerkers creëert. Het is niet voor niets dat het aantal banen dat wordt aangeboden via uitkeringsinstanties zo’n beperkt aantal beroepen behelst. Zelfs banen bij callcenters zijn van de lijsten bij uitkeringsinstanties verdwenen. Logisch toch? Je klantencontacten vragen om gemotiveerde medewerkers. Er is bij de organisatie van werk & inkomen kennelijk vergeten dat mensen het beste functioneren en het gezondst blijven als ze kunnen doen wat hun hart hen ingeeft.
En dat is maar zelden langdurig lanterfanteren.

 

Robbert Brown

RobbertBrownTijdens de herdenkingsdienst konden we in vogelvlucht vernemen over zijn avontuurlijk leven: hij was o.a. marinier, betrokken bij missies in de Vietnamoorlog, gevangenisbewaarder, vrijmetselaar, horecaondernemer, actief SP-lid, had een schotse vrouw en grootvader en kwam er pas laat in zijn leven achter wie de Canadees was die hem, ten tijde van het einde van WOII, verwekt had. De eerste ontmoeting van vader en zoon in Toronto was zeer verrassend. De mannen hadden veel dingen gemeen, tot hun loopje aan toe. Uiteindelijk werd hij afgekeurd vanwege PTSS.
Bijna werd vergeten dat hij een datapionier avant la lettre was.
In 1988 ging ik alle, toen 144 Bulletin Boards in Nederland en België af. Eén van de laatste was het BBS van Robbert Brown. Ineens veranderde mijn scherm; ik schrok, maar al snelde leerde ik wat er gebeurde: ik maakte mijn eerste chat mee. Robbert pakte me als sysop (system operator) van zijn BBS in een chat met een voor hem prangende vraag: “Ben je echt een vrouw of gebruik je een schuilnaam?”
Ik bleek in Fidonet Nederland de eerste vrouw te zijn die op een BBS inlogde. Niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat op die BBS-en alleen technische informatie over computers en BBS-en te vinden was en een enkel spelletje.
Robbert had al snel door wat mijn beroep was en op slimme wijze betrok hij me meer en meer bij het BBS-wereldje. Vooral door me te informeren. Al gauw had ik de smaak te pakken en samen met Robbert bedacht ik een manier om de vrouwen van sysops bij de BBS-en te betrekken: we gingen op de BBS-en recepten aanbieden. (Sorry dames voor dit ouderwets rolbevestigende gedrag ;-))
Na de recepten werd het een literaire databank en weer wat later werd het het NoPapers Keuze-magazine (het eerste online tijdschrift in de wereld) dat zodanig vanaf Robberts systeem werd verspreid dat je in heel Nederland het magazine kon inzien tegen lokaal telefoontarief. (Elk BBS had nl. zijn eigen, lokale telefoonnummer)
Robberts BBS (aanvankelijk heette dat Wildcat, later o.a. Tess) was een belangrijke gateway in Europa voor Fidonet en Robbert had over de hele wereld contacten. Die contacten bevroeg hij over allerlei zaken die we nodig hadden. Samen waren we een soort architecten die op zoek gingen naar hoe wat we wilden ontwikkelen technisch te realiseren was. Voor het tijdschrift hadden we dringend behoefte aan software waar naast tekst en kleur ook grafische zaken mogelijk waren. Er werden langzaam maar zeker in de hele wereld programma’s voor ontwikkeld, maar het programma dat uiteindelijk een grote vlucht nam was de eerste Mozilla browser die niet gebruik maakte van de Fido-techniek, maar van Internet. We schrijven inmiddels eind 1993.
De overstap van BBS-en naar Internet hebben Robbert noch ik snel kunnen maken. Het zou nog ‘even’ duren voor Internet in Nederland meer particuliere gebruikers had dan de ca 20.000 lezers van NoPapers. In 1995 maakten we met NoPapers de overstap. Zonder Robbert Brown.

Ontwikkelingen beginnen bij het formuleren van vragen. Robbert bevroeg over de hele wereld techneuten, o.a. naar oplossingen voor wat we wilden maken en zette op die manier vele mensen aan het denken.
Hij was een ster in mensen met elkaar in contact brengen en een bevlogen inspirator. Geld interesseerde hem weinig, hij genoot van verbindingen leggen, zowel technisch als tussen mensen.
Ik ben hem daarvoor schatplichtig.

21 juni overleed Robbert Brown. Op zijn eigen, unieke manier heeft Rob zijn steentje bijgedragen aan de kathedraal die nu internet heet. Waarschijnlijk kende u hem niet. Zoals veel wezenlijke pioniers niet bekend zijn. Maar hij was een van de meest avontuurlijke en coöperatieve mensen die ik heb gekend.

Bruxelles

Na het boeken van een hotelkamer en een beetje te zijn opgefrist ben ik toe aan iets wat op een warme maaltijd lijkt. Het is 11 uur ‘s avonds, maar zo in de buurt van station Bruxelles midi zijn genoeg horeca gelegenheden te vinden. Ik word vriendelijk begroet door mensen die voor een aanlokkelijk ogende  eetgelegenheid zitten.  Binnen worden in helder licht en dito entourage zeer gevarieerde gerechten aangeboden. Verlekkerd probeer ik te bepalen waar ik trek in heb; een kebab schotel? Lasagne?  Vlaamse friet met stoofvlees? Maar ik krijg geen kans om te kiezen: De donker ogende uitbater zegt ‘pas de chien’ en dat is het signaal deze tent te  verlaten. Nu valt me pas op hoeveel verschillende nationaliteiten hier op hun beurt staan te wachten. Bij het weggaan groet ik de vriendelijke Noord-Afrikanen voor de deur nogmaals terug: ‘Ne pas de chien, ne pas de manger’, zeg ik.
Na nog drie van zulke ervaringen geef ik het op. De nachtelijke horeca in Brussel is in handen van allochtonen Brusselaren kennelijk en veel allochtonen hebben een hekel aan honden, of zijn er bang voor of vinden ze onrein. Verbaasd ben ik niet. In Nederland gaan o.a. vrouwen met hoofddoekjes met een boog om ons heen. In de straten van Brussel zie ik op dit uur vrijwel geen westers ogende personen. Die blijken wel de bar van het hotel te bevolken, waar ik gelukkig een lasagne bolognese blijk te kunnen verkrijgen. Ik neem er een grote pint Belgisch blond bij. De hond krijgt heel attent een bak water en van mij een stukje in lasagne saus gedoopt stokbrood.

De volgende ochtend blijken zijstraten vol aan voedsel gerelateerd straatvuil geen geschikte plek om mijn nu 9 maanden jonge hond te laten focussen op zijn behoeften doen, dus keer ik terug naar de Avenue Fonsny, tegenover de achteringang van het station waar ik binnen een half uur de Thalys naar Nederland hoop te halen. Het brede trottoir is vol zich naar hun werk haastende mensen. In tegenstelling tot gisteravond zie ik veel westers ogende mensen. Maar ze vertonen geen westers gedrag. Zo’n 4 tot 6 meter voor mijn hond en mij lijkt er een onzichtbare muur te zijn waarachter mensen terug deinzen, alle kanten op schieten, ook van het trottoir af pal voor rijdende auto’s. Een enkeling loopt door de onzichtbare muur in de wijde ruimte om ons heen maar blijkt dan meestal zodanig in zijn of haar eigen gedachten te zijn verzonken, dat ze de hond pas opmerken als ze pal bij zijn. Nog nooit in mijn leven heb ik zoveel uiteenlopende vreemde sprongen gezien als deze ochtend tussen 8 en en half 9 in hartje Brussel. De hond wordt er nerveus van. Na een minuut of vijf dit te hebben meegemaakt wil hij ineens uitvallen naar zo’n schielijk wegspringend mens. Ik heb de riem met twee handen vast en kan net voorkomen dat mijn harig monster ook daadwerkelijk met zijn hele gewicht van 35 kilo tegen iemand aanspringt.
Gelukkig blijkt de avenue ook diverse minipleintjes te omvatten die met enige grandeur de entrees van luxe hotels en kantoren van extra cachet proberen te voorzien. Wat inhoudt dat elke boom geen grond maar vernuftige metalen platen om zich heen heeft en stukjes gras hekwerkjes. Hier geen wegschietende mensen, maar wel de meest vreemde geurtjes en lawaai, overal komt lawaai vandaan.  Ik laat alle streven naar de trein halen los, en focus op het ontspannen van de hond. Dat helpt en even later kan ik met plastic zakjes de avenue weer netjes achterlaten en begeven we ons naar de ingang van het station. Daar staan drie in camouflagepakken gestoken militairen met geweer. Zij moeten de hele vertoning van weg vluchtende mensen gezien hebben, want wij hebben aan de overkant waar zij staan de avenue op en neer gewandeld.  Als ik de militairen groet, trekken ze alledrie een grote grijns naar me.  Het maakt de grimmigheid van al die bewaking op en rond het station ineens draaglijker.