Bevolkingsonderzoek

Een goede kennis spreekt me op straat aan.
Hij legt uit waarom ik al weken niets van hem gehoord heb.
“Ik heb meegedaan aan dat bevolkingsonderzoek. Voor je darmen, weet je wel.”
Oh ja, daar krijgt elke Nederlander tussen de 55 en 75 sedert 2014 van het RIVM een uitnodiging voor. Dat gebeurt gefaseerd, maar vorig jaar was ik kennelijk aan de beurt en kreeg ik een duur setje spullen opgestuurd, waarmee je een monster van je poep kan nemen en dat opsturen naar het RIVM. Daar kijken ze of er bloed in je poep zit, wat kan duiden op darmkanker.
Ik heb niet meegedaan en alleen geaarzeld wat ik met dat setje moest doen.
Mijn goede kennis heeft kennelijk wel meegedaan en ze vonden wat en zelfs uiteindelijk een poliepje. Maar vanochtend heeft hij een endoscopie gehad en het zag er allemaal goed uit.
Veertien dagen heeft hij in de piepzak gezeten.
Diverse onderzoeken gehad en nu kan hij weer gerust zijn.
Precies vanwege dit soort onrust heb ik niet mee gedaan.
Bovendien zie ik het als een vorm van werkverschaffing waar het rijk flink voor betaalt, o.a. aan de fabrikant van het monstersetje. U hoeft dit niet met mij eens te zijn; ik heb in de ogen van velen wel vaker extreme standpunten als het om mijn eigen gezondheid gaat.
Maar vinden we nou echt dat ons belastinggeld met die onderzoeken goed besteed wordt?
Ik lees bij het RIVM:
“In het eerste half jaar na de invoering van het bevolkingsonderzoek darmkanker is bij 763 deelnemers darmkanker gevonden. Dit blijkt uit een onderzoek van het Erasmus MC en het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in opdracht van het RIVM. Hiervoor zijn de gegevens van 190.000 genodigden geanalyseerd”. Helaas kan ik geen gegevens vinden over hoe het die 763 mensen waarbij in 2014 darmkanker is geconstateerd is vergaan sedertdien. Zou mijn goede kennis ook meetellen?
Het argument voor het bevolkingsonderzoek is:
“Darmkanker wordt ook wel een sluipmoordenaar genoemd. Het duurt lang voordat darmkanker klachten geeft en een patiënt met deze klachten naar een arts gaat”.
Ook hier heb ik zo mijn eigen gedachten over.
Ik weet van vrienden en kennissen die met klachten bij hun huisarts kwamen dat er niks gevonden werd. Keer op keer. Ook niet bij onderzoeken in het ziekenhuis. En dan ineens worden de klachten heviger en is er wel een diagnose: kanker. In de longen, in de darmen, in de slokdarm, waar dan ook.
Vaak gaat het dan nog snel ook.
Vorige week was de uitvaart van een achterneef. In augustus werd er slokdarmkanker geconstateerd. 50 jaar werd hij maar. In september was de uitvaart van de moeder van een goede vriend. 8 weken daarvoor werd longkanker geconstateerd. Een paar maanden daarvoor was er nog niets aan de hand volgens de arts in het ziekenhuis.
Ik kan zo nog wel een poosje doorgaan. En ook u lieve lezer, zal wel voorbeelden kennen.
Kanker is altijd een sluipmoordenaar.
Als het u gerust kan stellen om onderzoeken te laten doen, moet u dat vooral doen.
Maar ik vermoed dat die bevolkingsonderzoeken een vorm van dweilen met de kraan open zijn.
We leven in een van de meest vervuilde landen ter wereld; voedsel, water, lucht zijn vervuild. Met chemicaliën, straling enz.. In ons veel geprezen drinkwater worden steeds vaker resten van medicijnen gevonden.
Naar mijn bescheiden mening zou het RIVM niet mee moeten werken aan steeds weer verhogen van de normen van toelaatbaarheid van al die vervuiling maar duidelijke standpunten moeten innemen die de gezondheid van de bevolking ten goede zouden komen.
Maar het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu valt rechtstreeks onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daar hebben ze een paar jaar terug bedacht dat op de verpakking van kruiden en kruidenpreparaten niet meer mag staan waar ze voor werken, Zelfs de kruiden die helpen bij reiniging van je lichaam en verhoging van je immuunsysteem, beiden belangrijk bij kankerpreventie, zijn op die manier verkapt verboden. Het Ministerie is ook tegen allerlei oliën die gemaakt worden van cannabis en bewezen pijn en klachten verlichten bij kankerpatiënten.
Onze regering laat de oren hangen naar verenigingen tegen kwakzalverij en de industrie die graag door wil gaan met vervuilen.

Advertenties

Ontspullen

Het bedrijf aan huis is gestopt.
Hoog tijd om de bedrijfsspullen op te ruimen. Op de boekhouding na dan, die word ik geacht tien jaar te bewaren.
Computers weg, bureaus weg en nog het e.e.a. aan spullen en heel veel papier, wat goed beschouwd best vreemd is voor een stichting die NoPapers heette…
Bij het opruimen vond ik ook een doos met zo’n 40 champagneglazen.. ooit gekocht toen we wat te vieren hadden met zijn allen. Ik ben van het consuminderen en duurzaamheid, dus niets wordt zomaar weggegooid, ook die champagneglazen niet. Maar bijna niemand wil ze. “Ik ben ook aan het ontspullen,” zei een vriendin die ik glazen aanbood.
Mooi woord, ontspullen.
Er bleek nog veel meer te ontspullen dan de bedrijfsresten. In de kamer die geheel door NoPapers gebruikt werd is ook een diepe trapkast waar nog veel spullen van mijn kinderen bewaard werden. Voornamelijk speelgoed waarvan ik dacht dat het ooit leuk zou zijn voor de kleinkinderen. Maar nu het eerste kleinkind er is vindt haar moeder het meeste speelgoed te ouderwets en wordt het vooral gebruikt als ik bij mij thuis oppasoma ben.
Hoog tijd dus ook voor mijn nazaten om hun spullen te komen uitzoeken. Het meeste kon ik naar weggeeftafels brengen waar het doorgaans binnen een dag verdween. Zo ouderwets bleek dat speelgoed dus ook weer niet.
Nu het zo gelopen is vraag ik me af waarom ik veel van dat spul zo lang bewaard heb.
Omdat ik de ruimte er voor had kennelijk.
En omdat het niet mijn spullen waren.
Dat wordt wel gewaardeerd, vooral door mijn zoon, maar er gaan niet bepaald veel spullen alsnog naar zijn huis.
Mijn kleindochtertje vindt alle spullen die hier blijven en bij deze fase van haar leven passen, wel een grote schatkist. We hebben er samen veel lol mee.
In die zin is een van mijn doelstellingen van het bewaren wel geslaagd.

Wat ik het meest geslaagd vind is de ruimte die het me oplevert.
Niet alleen in huis, maar vooral de ruimte in mezelf.
Hoe vaak had ik niet van vrienden gehoord over de ruimte die ontstaat als je het verleden opruimt. Je eigen verleden ontspullen dus.
Ik vond ook een doos met schriften en leerboeken uit mijn middelbare schooltijd. Geen idee meer waarom ik het nodig heb gevonden dat te bewaren. Een vriend zei: “Oh wat leuk dat je dat nog hebt! Daar moet je zuinig op zijn.” Het bleek dat hij bijna alles van school al tien jaar geleden had weggegooid. Omdat zijn schooltijd allesbehalve prettige herinneringen opriep. Hij dacht dat het bij mij anders was. Ja dat is wel zo, het was een mooie tijd, maar lees je dat terug in die schriften?
Ik heb vooral gezien hoe gigantisch veel ik in die 5 jaar geschreven heb. Er viel behalve uit de boeken kennelijk veel te leren via mondelinge overdracht in de klas. Bomvolle kladschriften en netschriften van bijna elk vak. Plaatjes ingeplakt bij o.a. biologie, geschiedenis, aardrijkskunde, Frans, zelfs bij meetkunde. Kom daar nog maar eens om in dit digitale tijdperk waar we als NoPapers al in 1988 van droomden.
Ik heb er een paar bewaard als curiosum. En alle schriften waar ik op jonge leeftijd verhalen in schreef. Dat was het meest verrassend, zoveel verhalen. Heel kloppend met wat ik van plan ben de rest van mijn leven te doen: veel schrijven. De cirkel is rond.
Iedereen heeft gelijk gehad: het ontspullen heeft er voor gezorgd dat het schrijven me nu nog makkelijker afgaat. Ik heb er eindelijk alle ruimte voor.

Orgaandonaties

Op 3 december 1967 werd voor het eerst met succes een harttransplantatie uitgevoerd in het Groote Schuur-Hospitaal in Kaapstad door een team van 31 artsen. Louis Washkansky, een Poolse emigrant in Zuid-Afrika, was degene die dit voorrecht genoot.
Nu, zo’n 50 jaar later, zien we zo’n transplantatie niet meer als een voorrecht, maar als een recht. Er mist echter iets om dit recht aan eenieder die dat nodig heeft te verlenen; genoeg donoren.
Dus vinden sommige politici nu dat het recht om over ons eigen lichaam te beschikken moet veranderen. Wie niet voor zijn of haar dood duidelijk te kennen geeft geen orgaandonor te willen zijn, zal na overlijden aan allerlei apparatuur gekoppeld worden zodat o.a. de bloedsomloop blijft werken opdat artsen allerlei delen van je lichaam zullen kunnen ‘oogsten’. Dat kan gaan van aansprekende organen als hart en lever, maar ook om netvlies, stukken huid, neus of oren of wat dan ook.
Deze omkering van de donatiewet is dubieuzer dan voorstanders willen doen voorkomen.
Wat betekent dit bijvoorbeeld voor mensen die hun hele leven wilsonbekwaam zijn zoals ernstig verstandelijk gehandicapten?
Aspecten als deze en nog veel meer komen deze week aan bod in de diverse praatprogramma’s die volop aandacht geven aan het fenomeen donorschap. Aanleiding is de nieuwe orgaandonatiewet. Die wet is j.l. 13 september aangenomen in de Tweede Kamer en staat nu op de agenda van de Eerste Kamer.

Ik mis een belangrijk aspect in al die gesprekken, namelijk de vraag: hoe dood ben je eigenlijk als je organen ‘geoogst’ worden? De transplantatiestichting schrijft daar over: “De procedure voor orgaandonatie begint als duidelijk is geworden dat iemand niet meer kan herstellen. En dat het geen zin meer heeft om hem verder te behandelen (…) Orgaandonatie gebeurt na hartdood of hersendood.”
“Iemand is hartdood als het hart minimaal 5 minuten niet meer klopt. Er gaat geen bloed meer door het lichaam. Deze persoon is overleden.”
“Bij hersendood is het volgende zeker: -alle delen van de hersenen zijn dood, -de hersenen kunnen niet meer herstellen, -er is geen elektrische activiteit in de hersenen, -er gaat geen bloed meer door de hersenen, -dit is onomkeerbaar”.

Toch zijn er tal van getuigenissen dat het lichaam van een persoon die hersendood is, reageert als er in het lichaam gesneden wordt om organen te verwijderen.
De Transplantatiestichting schrijft: “Iemand die hersendood is en aan het beademingsapparaat ligt, ziet er heel anders uit dan hoe we een dode normaal gesproken zien. Iemand die is overleden aan een hartstilstand, is stil en koud en ademt niet meer. Bij iemand die hersendood is, gaat de borstkas op en neer. Dat komt doordat een beademingsapparaat lucht in de longen blaast. Daardoor blijft het hart kloppen en het bloed stromen. Ook houden artsen onder andere de temperatuur en de bloeddruk van de donor kunstmatig op peil”.
Er zijn mensen die vinden dat door deze toestand iemand nog ‘leeft’, maar ernstiger zijn de twijfels van mensen over het toepassen van het begrip ‘hersendood’. Dat begrip verschilt op allerlei plaatsen op deze planeet.

“Het fundamentele probleem is dat je geen organen kunt transplanteren van een echte dode. Vandaar ook de pogingen om ‘dood’ opnieuw met ‘hersendood’ te definiëren om transplantatie maar mogelijk te maken,” verklaarde David W. Evans, Amerikaans cardioloog.

De discussie hierover is in het publieke debat nog nauwelijks begonnen…

Haarelastiek

Steeds meer vrouwen en sinds de mode voorschrijft dat mannen ook staarten en knotjes dragen ook steeds meer mannen, hebben een haarelastiek in hun (jas) zak.
Hoe ik dat weet?
Door ongelijke stoepen.
Sedert ik een paar keer bijna of zelfs geheel struikelde over een uitstekende stoeptegel kijk ik meer naar de grond als ik door de stad loop. Ik loop ook langzamer. Misschien omdat ik ouder wordt, maar vooral als compensatie voor dat noodzakelijk naar de grond kijken. Want ik kijk liever om me heen dan naar de grond. Door langzamer te lopen kan ik allebei.
Die grond, niet in de laatste plaats de stoepen en goten, zijn eigenlijk best wel interessant. Want wat je daar allemaal ziet… Als je niet om je heen kijkt weet je door goed naar de stoep te kijken ook waar je bent. In de buurt van een bushalte bijvoorbeeld, want daar barst het van de snoeppapiertjes, lege chips zakken, sigarettenpeuken enz..  Ondanks dat er bij elke bushalte een gemeentelijke prullenbak staat. Als een prullenbak erg vol is weet je dat je in de buurt van een winkel bent, of een school. Je weet zeker dat je in de buurt van een school bent als de stoep geplaveid is met oude kauwgomvlekken. Veel troep in een hoek ligt betekent dat de wind er neerstrijkt of een aso daar altijd zijn of haar troep neergooit.
Boomspiegels verraden dat er a-sociale hondenbezitters in de buurt wonen die de poep niet opruimen, of dat katten het een aantrekkelijk stukje grond vinden om hun behoefte te doen, een straatbewoner met een verbouwing of schilderbeurt bezig is of weer eens te laat of veel te vroeg de vuilniszak heeft buiten gezet. Dat laatste zal niet zo lang meer plaatsvinden aangezien gemeenten het ophalen van vuilniszakken bezig zijn te vervangen door vuilcontainers waar je zelf je afval heen moet brengen.
Op de stoepen zie je de raarste en soms intiemste voorwerpen. Mijn lieve buurvrouw maakt er stillevens van, mooie foto’s die ze meestal op haar facebookpagina zet en wellicht nog eens gebruikt voor een tentoonstelling.
Verloren handschoenen, sjaals en kinderspeelgoed leg ik meestal op het dichtst bijzijnde raamkozijn of knoop ik aan een lantarenpaal in de hoop dat de eigenaar er nog een keer voor terug komt. Zelf ben ik al een paar keer op wandelingetjes met mijn kleindochtertje blij geweest met zulke attentheid van een medemens, waardoor ik het verloren speelgoed sneller terugvond.
Als het regent word ik minder attent. Dan loop ik ook harder en zie ik minder.
Soms raap ik iets op en neem dat mee.
Muntjes bijvoorbeeld en soms ook.. haarelastiek.
“He bah”, zei een vriend toen ik dat vertelde. Maar het is niet bah als je ze thuis even in een kommetje sop doet, dan kun je er daarna nog tijdenlang plezier van hebben.
“Ben ik nou een erge milieufreak?” vroeg ik aan een kennis waar ik even bij aan de deur was en ik liet haar een net opgeraapt zwart haarelastiek zien. Zij gaf toe dat ze zelf altijd twijfelt als ze een goed haarelastiek ziet liggen maar dat ze bezorgd was wat z’n ding in haar wasmachine kon uitrichten.
Gewoon even in een kopje met sop dus 😉 of onder de hete kraan.
En beter opletten als je iets uit je zak pakt.
Vooral met sleutels pakken valt een haarelastiek nog wel eens uit je zak weet ik uit eigen ervaring.
Goed beschouwd ruil ik ze om… 🙂
20180122_094249

Dieren en beschaving

In het ster reclameblok aandacht voor de slechte levens van varkens wiens vlees als kiloknallers verkocht wordt. Na de reclame de documentaire ‘Elephant family & me’ waarin Gordon Buchanan laat zien hoe zijn respect voor de dieren hem dichtbij een groep olifanten en zelfs een olifantmoeder en jong laat komen in de natuur van Kenia.
Buchanan is een man van beschaving in mijn optiek.
Die varkensfokker wiens varkens we zien lijden in het sterblok is dat in mijn ogen niet of nauwelijks.
Ik vraag me af of ik de kopers van kiloknallers ook minder beschaafd zou moeten noemen. Maar je zal maar weinig geld hebben en toch een stukje vlees willen eten.
In deze tijd waarin rechtse regeringen (in veel landen in de wereld!) ervoor zorgen dat de rijken steeds rijker en de armen steeds armer worden past het niet om armen te oordelen op hun koopgedrag.
Je zou misschien kunnen stellen dat vlees eten per definitie niet beschaafd is. Maar dat gaat me te ver. Dierlijke producten bevatten voedingsstoffen die niet in andere voedingsmiddelen voorkomen. Het gaat hierbij om ‘complete eiwitten’ en aminozuren. Er zijn mensen die sommige aminozuren níet zelf kunnen maken, zoals taurine en carnosine. Dit komt voor in rood vlees.
Ik wil het dus eigenlijk niet hebben nu over wel of geen vlees eten.
Wel vind ik het eerlijk gezegd een kwestie van beschaving als je je vleesconsumptie matigt. Omdat de vleesproductie een belasting is voor het milieu; voor een kilo vlees zijn meerdere kilo’s plantaardig materiaal nodig, maar vooral: omdat dieren een waardig leven verdienen.
Omdat we in de huidige tijd massaal uiterst onbeschaafd met dieren omgaan. Of we die nu gebruiken voor de vleesproductie, voor hun vacht of voor stofjes waar we medicijnen van maken of wat dan ook.
Megastallen, kleine grondoppervlakten, snavels en staarten inkorten en nog veel meer leed zouden we dieren niet mogen aandoen.
Zijn economische motieven nu echt richtinggevend voor onze vee industrie?
Ik denk dat er iets veel ernstigers onder ligt:
een absoluut gebrek aan respect voor dieren.
Lang is gedacht dat dieren geen gevoel hebben. De kerken ontkenden dat dieren een ziel hadden, om zo de mens het recht te geven om over dieren te beschikken.
Maar wie dieren in vrijheid bestudeerd zoals Buchanan, zal versteld staan over hun intelligentie, hun communicatie, hun zorgzame manier van met elkaar omgaan.
Leve dit soort documentaires, leve internet en de mobiele telefoon waardoor steeds meer filmpjes over dieren, vooral via sociale media, ons bewust maken van de gevoeligheden van dieren. We zien dieren soortgenoten wegslepen die door een auto zijn aangereden, eendenmoeders hulp inroepen als hun kroost in een put is gevallen, kraaien sleetje rijden op een dak m.b.v. een plastic dekseltje, apen een soortgenoot reanimeren die tegen een hoogspanningskabel op een station is gekomen, dolfijnen die elkaar helpen enz. enz..
Als je dieren bestudeert zou je zomaar tot de conclusie kunnen komen dat ze in feite beschaafder zijn dan wij. In deze tijd dat de roep om anders te kijken naar ons slavernij verleden steeds duidelijker klinkt, wordt het hoog tijd dat we de slavernij van dieren aan de kaak stellen. Al was het maar als teken van beschaving.
Zoals Buchanan laat zien: dieren zijn bijzonder. Wij kunnen nog veel van ze leren, o.a. hoe ze voor elkaar zorgen.

Pijnbestrijding

Vorig jaar bracht ik 17 uur door in een Turks ziekenhuis met een vriendin die haar arm op twee plaatsen had verbrijzeld. Om dat te kunnen repareren moest een specifieke kunststof uit een grote stad komen. Dat ging kennelijk niet meer nadat de lokale orthopedisch chirurg de complexe breuken op foto’s bestudeerd had. Dat was aan het eind van de avond. Het materiaal zou de volgende dag uiterlijk rond het middaguur arriveren.
Het lange wachten op de operatie was een hel voor mijn vriendin. Diverse botsplinters drukten op zenuwbanen; wat artsen en verpleging ook probeerden, de pijn was nauwelijks te verdoven. Ze deed haar best niet steeds te schreeuwen van de pijn, ze was gigantisch stoer, mijn vriendin, maar die voor haar zo helse nacht zullen we beiden nooit meer vergeten.

Hoewel deze ervaring met het belang van pijnstilling nog vers in mijn geheugen ligt, erger ik me aan een televisiereclame voor een pijnstiller die je zo bij de drogist kunt halen en die als groot voordeel heeft dat je hem ook als een zalf kunt krijgen om de pijn in spieren en gewrichten te verlichten. Dat is een goede zaak, maar ik erger me aan deze zin: “Dan voelt u niets meer”, zegt een stem in de reclame. Als je niets meer voelt kun je weer gewoon bewegen alsof er niets aan de hand is, is de boodschap.
De vraag is of dat wel altijd zo verstandig is.
Pijn is een signaal dat er iets aan de hand is. Door de pijn te voelen ga je vanzelf je beperken, geen bewegingen maken die niet goed voor je zijn.
We hebben in de moderne samenleving een cultuur dat je voor elk wissewasje een pilletje moet kunnen krijgen of een zalfje om te smeren. We zijn medicijn verslaafd. Pijnstillers horen samen met slaapmiddelen tot de meest verslavende medicijnen.
Het lijkt me zinnig om daar spaarzaam mee om te gaan.
Dan hoef je bij minder ernstige zaken als verbrijzeling van bot geen zware pijnstillers te slikken, maar kan een aspirine al voldoende werken (weet ik o.a. uit eigen ervaring).
Onze medicijn verslaving is inmiddels zo groot, dat resten van medicijnen al in het oppervlaktewater en zelfs in ons drinkwater worden teruggevonden.

In de vee industrie wordt ook rustig doorgegaan met preventief allerlei medicamenten aan dieren geven. Al begin 80-er jaren was algemeen bekend dat door het preventief geven van antibiotica aan vee de werkzaamheid van deze middelen voor de mens zou afnemen. Inmiddels is dat al zover. Mensen zijn jarenlang of zelfs chronisch ziek door bacteriën die niet meer goed te bestrijden zijn, gaan weer bijna dood aan longontsteking omdat de antibiotica niet werkt en nog veel meer ellende.

We krijgen inmiddels te maken met de pijn over niet geluisterd hebben naar de milieuactivisten en -organisaties. Geld was (en is?) belangrijker dan een toekomst waarin onze gezondheid goed zou kunnen blijven.
Dat geldt niet alleen voor de vee industrie waarvan steeds meer mensen roepen dat de grote hoeveelheid dieren bij elkaar op kleine oppervlakten een steeds groter gevaar voor de volksgezondheid vormen. Dieren massaal afmaken lijken we al ‘normaal’ te zijn gaan vinden 😦
Maar wat doen we als er echt een epidemie onder de mensen uitbreekt van een ziekte die niet te bestrijden valt? Moeten we dan ook mensen gaan ‘ruimen’?
Onze lucht is vervuild, onze grond, ons voedsel, ons water. Onze lichamen zijn steeds zieker en onvruchtbaarder.
De vraag dient zich aan of die pijn ooit nog te bestrijden valt.