Handschoenen

Het begint met baby- en peuterwantjes, na enige tijd volgen de damesexemplaren, vaak van zacht leder en uiteindelijk zie je de grote herenmaten op straat liggen. Handschoenen; ze laten je in al hun verlorenheid weten dat het koude seizoen begonnen is.
Daar moeten we kennelijk aan wennen, of misschien moeten we alleen maar wennen aan weer handschoenen dragen en vooral, waar we ze laten als we ze niet dragen. De hele winter door zullen we eenzame handschoenen gaan aantreffen op allerlei plekken in de openbare ruimte, maar de meeste verweesde handschoenen vind je toch aan het begin van het koude seizoen. Het is het sein voor personeel in winkels, Openbaar Vervoer enz. om een verzameling handschoenen aan te leggen bij gevonden voorwerpen en daar komen straks de sjaals en mutsen uiteraard ook nog bij.
Soms heb je als vinder geluk en vind je een bij elkaar passend paar.
Als vinder raap ik de verweesde handschoenen vooral op als er een plek in de buurt is waar ik de handschoen opvallend neer kan leggen. Een brede vensterbank bijvoorbeeld, of een parkeerautomaat. In de hoop dat ik daar de eigenaar een dienst mee bewijs, maar meestal ligt de handschoen er dan dagen later nog. Net als die ik niet opraap trouwens, maar die is dan inmiddels vertrapt en vervuild.
Het wachten is nu op sjaals en mutsen, meestal moet het dan echt een tijdje gevroren hebben voor je die op straat tegen komt.
Ben benieuwd met welke ik, na een wasbeurt uiteraard, kouwelijke bezoekers, die elders hun winterwarmers verloren hebben, dit jaar een plezier kan gaan doen 😉

Achter woorden

In het Spiritueel Ondernemers Netwerk deponeerde iemand deze stelling: “Wanneer je ‘achter’ woorden en begrippen communiceert is er vrede”. Het had een enorme hoeveelheid ‘commentaren’ tot gevolg, die ik hier niet ga herhalen, nee, zelfs niet ga pogen samen te vatten.
Het is een inspirerende stelling. Woordeloze communicatie buiten beschouwing latend, doet die stelling mij allereerst denken aan ‘geweldloze communicatie’.
Maar de stelling beweert goed beschouwd iets waarvan ik me afvraag of je dat wel zo kunt stellen.
Want wat zit er ‘achter’ woorden? Allerlei mogelijke intenties. En mensen kunnen vreedzame, maar ook geheel andere intenties hebben.
Ik heb in de groep waar de stelling geponeerd werd als volgt gereageerd: “Simpel gesteld: als je vanuit je hart communiceert in spontaniteit en eerlijkheid is dat een bijdrage.” Maar zelfs dat is discutabel. Want als je een mens bent die kickt op kwaad doen, kun je in alle spontaniteit en eerlijkheid ook niet vredelievende intenties hebben.
De intenties van degene die de stelling poneerde zijn duidelijk, ze zijn gericht op vrede en vredelievende communicatie. Dan heb je kans dat zijn woorden ook een vredig effect hebben.
Ik zei: kans. Want of wat ‘achter’ de woorden zit, vrede geeft, hangt niet alleen af van intenties, maar ook van de gedachten die iemand heeft. Woorden hebben relaties met wat je denkt, weet, voelt. Misschien zou je kunnen stellen dat woorden beginnen bij de gedachten die je hebt.
Wie vredelievend wil communiceren, kan beginnen met vredelievend denken. Sterker nog, om zeker te zijn dat je vredelievend denkt, dien je beginnen met kennis te nemen van al je gedachten. Je kan nog zo vredelievend tegen iemand praten, als je in gedachten even denkt ‘wat een stommerd’ of wat voor ander (negatief) oordeel ook, is wat ‘achter’ je woorden ligt al veel minder vredig dan je je bewust van bent.
De meeste mensen zijn zich niet bewust van de enorme stroom gedachten die je de hele dag door hebt.
Om je bewust te worden van je gedachten, echt en volledig bewust te worden, kun je (leren) mediteren. Net zo lang, en net zo vaak, tot je elke gedachte van je zelf bewust bent. Soms duurt dat jaren. Dan zul je gaan ontdekken dat je echt niet altijd lief en aardig denkt. Dat je oordeelt, zelfs veroordeelt, dat je boze gedachten hebt, net zo goed als lieve. Wat ‘achter’ je woorden en begrippen zit zou je wel eens ernstig kunnen verbazen…

Boterzuur

Het beheren van een natuurpark bestaat uit vele dilemma’s. Het begint al met de bezoekers; ze zijn het bestaansrecht van zo’n park, maar ook de bedreigers er van. Grote kans immers dat bij veel bezoekers het wild verdwijnt, om het over vandalisme en het achterlaten van afval maar niet te hebben…
Moet je weiden maaien of juist wild laten groeien? De jongste opvatting is dat 2 x per jaar maaien zorgt dat er meer diversiteit aan planten ontstaat of blijft bestaan. Maar de ecoloog in ‘ons’ natuurpark is telkens voor er gemaaid wordt druk in de weer met bamboestokjes met rood-witte linten eraan om aan te geven welke planten niet gemaaid mogen worden.
Van welk materiaal maak je de paden? En hoe breed mogen die zijn? Zet je bankjes neer? Dan moet je ook prullenmanden neer zetten maar wie leegt die dan? Het rijdend materieel van de stadsreiniging kan niet over die smalle paden. Paden toch breder maken dan of de bankjes weg?
Moet je bomen kappen of juist oud laten worden? Omdat natuurpark Bloeyendael een grienden landschap is mogen de bomen niet groot worden want dan zou er verbossing gaan plaatsvinden.
Met zoveel watertjes zijn er ook vele bruggetjes. In de ruim tien jaar dat ik geregeld in Bloeyendael kom, heb ik zo om het jaar een deel van het bruggenbestand vervangen zien worden. 5 jaar lijkt de maximale levensduur van deze bruggetjes. Er is al eens strijd geleverd met de provincie die vindt dat voetgangersbruggen opvallend wit moeten zijn. Maar daar is de ecoloog tegen. Dus zijn de bruggetjes van geïmpregneerd hout. Volgens de bouwers van de bruggetjes dienen deze elk jaar schoon gespoten te worden zodat er minder verweer plaats vindt. Maar dat gebeurt niet. Laat staan dat er een nieuwe onderhoudslaag op gekwast wordt.
Ik spreek er de ecoloog op aan. Volgens hem is dat schoonspuiten niet elk jaar nodig. En.. de bruggen zijn dit keer geïmpregneerd met boterzuur. “Let maar op,” zegt hij enthousiast, “als het warm weer wordt volgend jaar dan ruik je dat nog”. Volgens hem kunnen de bruggen dankzij boterzuur 20 jaar mee.
Ik hoop het maar, want de natuur krijgt door al het grote materieel dat ingezet wordt bij het vervangen van de bruggetjes elke keer een fikse optater, waarvan ik me eerlijk gezegd afvraag of die niet erger is dan die bruggen net als in andere parken geregeld te schilderen. Groen misschien i.p.v wit?
En iedere keer nieuw hout voor nieuwe bruggetjes lijkt me weinig met duurzaamheid te maken te hebben. Maar het hele bruggetjesdilemma gaat daar natuurlijk over 😉

Bloeyendael-brug

Tussen de middag

Eerst zag ik lunchpauzewandelaars alleen bij mooi weer, maar steeds meer zie ik ze ook bij andere weertypes in groepjes van 2, 3, een enkele keer 4 of zelfs meer, de kantoren uitstromen. Met elkaar vormen ze in toenemende mate een colonne wandelaars in het natuurpark.
Mijn hond en ik moeten zelfs even wachten met het fietspad dat door de colonne tot voetpad is gebombardeerd, over te steken.
“Het wordt hier steeds drukker”, kan ik niet laten te zeggen.
“Maar alleen tussen de middag”, reageert een van de lunchpauzewandelaars.
Dat is waar. Gelukkig. Ik neem me voor weer wat vroeger onze wandelingen hierheen te starten. Dan hoor ik wellicht meer vogels fluiten i.p.v. al dat gekakel over gebeurtenissen bij het kantoor van de provincie, ASR of een van die andere kantoren in Rijnsweerd.
Maar wat een rare uitdrukking is dat eigenlijk: tussen de middag. Je hebt een ochtend en een middag, hoe kan daar dan nog iets tussen zijn?

Na enige gezoek op het net naar de etymologische oorsprong, blijkt de uitdrukking te zijn begonnen bij het woord middag, waarmee oorspronkelijk het midden van de dag werd bedoeld. Ik lees: “Aangrenzende dagdelen duidde men aan met voor de middag of voormiddag resp. na de middag of namiddag. In het NN is middag bij uitbreiding ook, en tegenwoordig vooral, ‘het gehele dagdeel tussen de ochtend en de avond’ gaan betekenen. Dit leidde tot de samenstellingen voormiddag ‘de eerste uren na het middaguur’ en namiddag ‘de laatste uren voor de avond’. De eerste uren na het middaguur duidt men ook wel aan met tussen de middag.”
Niet helemaal zeker of dit nou een echte verklaring is van de uitdrukking zoek ik nog een poosje verder.

Uiteindelijk vind ik bij goeievraag.nl een leukere verklaring:
“Bij het opgeven van kantooruren telde vroeger de lunchtijd van 12 tot 13 uur niet mee.
Dat uurtje viel ‘tussen de ochtend en de middag’.
Dat is verbasterd tot ‘tussen de middag’.”

Hoe het ook zij, ook in lunchtijd wordt bewegen kennelijk steeds populairder. Een gezonde ontwikkeling. Dat wel.

Meegesleurd

Mijn hond blijft achter. Gefascineerd kijkt hij het pad af waar hij op staat. Ik kan niet zien waar hij naar kijkt, maar begrijp hem: daar ziet hij een hond aan komen waar hij op wil wachten. Als ze dichterbij komen wordt zijn fascinatie meteen duidelijk. Een jonge vrouw loopt druk telefonerend met een klein hondje aan de lijn, die ze voortdurend achter zich aan sleept. Het arme beestje krijgt geen seconde ruimte. Mijn hond betoont zijn medeleven, maar aan elkaar snuffelen is er niet bij, het kleine dier wordt alweer meegesleurd.
De afstand is te groot om te horen of mijn hond tegen de vrouw gromt, maar het zou me niet verbazen als hij dat doet, hij heeft 2x in zijn leven iemand een (waarschuwende) beet in het been gegeven, beide keren was de eigenaar bezig zijn hond ernstig te mishandelen. Die mishandelingen, zoals schoppen en slaan, waren veel erger dan dit. Maar zou die vrouw nou niet het bewustzijn hebben dat ze haar hond op deze manier ook mishandelt? Ze is zo druk met haar gesprek dat ze het eventuele gegrom van mijn hond niet eens gehoord kan hebben.
Met een trieste houding komt mijn hond naar me toe. Wat is het toch een lieverd!
Even later staan we met nog veel meer van die lieverds en hun goede baasjes geanimeerd met elkaar om te gaan. De mensen praten, de honden doen hun sociale dingen. Na enige tijd komt de bellende vrouw onze kant op. Ze heeft kennelijk haar verplichte ‘rondje’ met haar hondje gelopen. Nog steeds sleurt ze het Markiesje achter zich aan. Als ze ons groepje moet passeren lukt het haar echt niet meer. Misschien ziet ze onze afkeurende blikken, misschien heeft ze nog net genoeg bewustzijn om te weten dat je niet zomaar een roedel loslopende honden voorbij kan lopen. Zonder haar telefoongesprek ook maar even te onderbreken krijgt het Markiesje een paar seconden de tijd om aan zich te laten ruiken.
Dan wordt hij alweer meegesleurd.
Als ze me passeert hoor ik dat ze geen Nederlands spreekt.
Ik zou tegen haar willen zeggen dat als ze haar hond zou laten integreren ze dat zelf ook beter doet, maar ze keurt niemand een blik waardig.
Het hondje draait nog een paar keer zijn hoofd om. Heel kort, want aan een gedraaide nek is het nog pijnlijker mee gesleurd worden…

Begraven

In Israël worden flats van vele verdiepingen gebouwd om de doden te ‘begraven’. In de Joods religieuze traditie mag je niet gecremeerd worden en op deze manier wordt er ruimte gecreëerd. Op begraafplaatsen hier wordt ruimte gecreëerd doordat na verloop van tijd, meestal 10 jaar, een graf geruimd wordt. Wil je een graf langer in stand houden dan dient daar (ook) voor betaald te worden. Wandelend over 2 begraafplaatsen in Utrecht diende zich de vraag aan wie er betaalt voor een graf van iemand die in 1823 is overleden. Soms is dat de organisatie van een begraafplaats ook niet duidelijk begreep ik uit vele bordjes a la deze:
20141102_115336
Die bordjes stonden ook bij jongere graven.
Wie op kosten van de staat (‘van de armen’ heette dat ooit) begraven wordt, kan terecht komen in een graf waar ook de overblijfselen van 1 of 2 andere mensen te ruste zijn gelegd. Dan zie je meerdere kleine bordjes bij een graf staan, grafstenen ontbreken.
Het stapelen van lijkkisten is in Nederland verder alleen gebruikelijk in familiegraven.
Deze 3 vond ik bij mijn recente wandeling wel heel bijzonder:
20141102_11335620141102_11511620141102_124940
De nabestaanden weten kennelijk wel wie dit zijn, want de steen van Grootmoeder, Freddie en Vader is gerepareerd, in tegenstelling tot diverse andere stenen. Een enkel graf heeft een dekplaat met inscriptie die door breuk en ander verval onleesbaar is geworden. Ik neem aan door het toeslaan van de tand des tijds, want ik mag toch aannemen dat bij vandalisme de begraafplaats maatregelen neemt om een graf te herstellen.

Toch, al die graven ziende begin ik me af te vragen of ik nog wel begraven wil worden. Want waarom wil je dat? Nabestaanden willen dat om een plek te hebben waar hun geliefde dode herdacht kan worden.
Maar kennelijk geldt voor de meeste mensen dat het gedenken bij een graf zo snel drastisch afneemt, dat graven na 10 jaar geruimd kunnen worden.

Volgens Jozef Rulof, een beroemd medium uit de vorige eeuw, kunnen mensen die niet geloven in iets na de dood, beter begraven dan gecremeerd worden. Sommige niet-gelovigen zouden de neiging hebben om bij hun overblijfselen te blijven ‘rondhangen’ waardoor cremeren een erg traumatische gebeurtenis kan worden.
Misschien is angst voor de dood voor de meeste mensen een reden om te kiezen voor begraven. Het begraven liggen onder een mooie boom is minder rigoureus dan verbrand worden.
Maar goed beschouwd is het apart dat juist gelovige mensen graag begraven willen worden.
20141102_120542

Banenmachine

In de uitzending van het Filosofisch Kwintet van 1 november werd nader ingegaan op de stellingen van Thomas Piketty dat ongelijkheid tussen arm en rijk toeneemt en dat inkomsten uit vermogen de inkomsten uit arbeid overvleugelen.
Betreft het eigenlijk nog wel stellingen? Het Filosofisch Kwintet kwam o.a. tot de conclusie dat die ongelijkheid er al is. Volgens Robert Fransman, een van de gesprekspartners bij het kwintet, zitten we in Nederland nog in een ontkenningsfase, terwijl volgens hem het aantal zeer vermogenden in ons land zo’n 200.000 betreft, hetgeen 3 a 4 procent van de bevolking is. Wereldwijd is dat percentage 1 a 2 %.
Een belangrijk probleem daarvan is dat hun vermogen deze kleine groep beschikkingsmacht geeft, zoals grote invloed op besluitvorming en dus eigenlijk de democratie ondergraaft.
Dat gebeurt niet altijd opvallend, maar kan ook via invloed op personen, bijvoorbeeld mensen in denktanks en politiek.
Robert Fransman heeft prominent op zijn website staan: ‘Follow the money’.
Voor journalisten is dat een bekende uitspraak als een weg die je kunt volgen om er achter te komen hoe dingen in elkaar steken.
Het zou interessant zijn als journalisten dat meer deden met betrekking tot de ‘banenmachine’ die het Binnenhof al jaren is.
Het schuiven van uiterst goed betaalde functies tussen bedrijfsleven en regering en v.v. draagt in niet geringe mate bij aan het steeds meer ontbreken van vertrouwen in de politiek. Maar ook journalisten zijn steeds meer onderdeel van die banenmachine. Vorige week pleitte Frank Hendrickx in het AD voor een soort erecode voor politieke journalisten. Journalisten die hun werk doen op het Binnenhof zouden daar minstens een jaar moeten werken voor ze (pers) voorlichter worden o.i.d. bij een ministerie. Ik verwacht weinig van zo’n code; het zal de praktijk niet veranderen.
Echte journalisten worden geen voorlichters of mediatrainers. Maar hoeveel ‘echte’ journalisten zijn er nog?