Kaaskoppen

Mijn dochter heeft ergens gelezen dat een baby de eerste dagen na de geboorte het meest op de vader lijkt. Een vindingrijke manier van de natuur om de band van een vader en zijn kind van begin af aan te versterken.
Mijn dochter lag na haar geboorte in een doorzichtig wiegje naast mijn bed. De eerste twee dagen heb ik naar haar liggen kijken met een groot ‘wie ben jij?’ gehalte. Toen ik haar vertelde hoe ik aan haar moest wennen dacht ze dat het door haar kleur kwam, wat ik niet kon bevestigen. Nu weten we dat het misschien kwam doordat ik haar Nigeriaanse vader nauwelijks kende. Maar dat gold zes jaar later niet voor de vader van mijn zoon. Aan mijn zoons gezicht moest ik ook wennen, zij het maar een dag. In tegenstelling tot zijn vader die al een paar uur na zijn geboorte zei “Ik voel zijn gelaatstrekken in mijn gezicht”.
We hebben het over dit soort dingen, mijn dochter en ik, omdat de geboorte van haar eerste kind aanstaande is.

N.a.v. het nieuwe boek van Robert Vuijsje; ‘Kaaskoppen’, publiceerde Volkskrant magazine gisteren een samenvatting van het eerste hoofdstuk. Robert heeft twee zoons van verschillende moeders. De zoon van zijn Braziliaanse ex lijkt meer op hem dan zijn zoon van een Surinaamse moeder. Deze jongste zoon Samuel heeft  “naar mijn gevoel  -mede door zijn huidskleur- een band met zijn moeder die hij en ik niet op dezelfde manier kunnen hebben,” schrijft Vuijsje.
Bij zijn oudste zoon “thuis wordt Portugees gesproken en op een Braziliaanse manier geleefd. En toch voelt het of ik meer weet over hem. Bij Sonny weet ik hoe hij in het leven staat, ik weet hoe hij zich door Nederland begeeft. Bij Samuel weet ik het minder goed. Ik kan het bedenken, ik kan er naar raden hoe het voelt het enige bruine jongetje in een witte schoolklas te zijn. Maar ik weet niet uit eigen ervaring hoe het is.”
Vuijsje heeft diverse ervaringen met mensen die zich over hem en Samuel afvragen of zijn zoon geadopteerd is.

40 jaar geleden en daarna vond ik de vraag “Hoe lang heb je haar al?” nog de minst vervelende. Ik kon er grapjes mee uithalen, want alleen al het antwoord: “vanaf de geboorte” zorgde voor verwarring. Tot op de dag van vandaag komen mensen nooit zelf op het idee dat we moeder en dochter zijn.
Tijdens wandelingen met mijn dochtertje leerde ik woorden waar ik nog nooit van gehoord had, zoals ‘kalle’ en toen ze groter werd bemerkte ik geregeld anders behandeld te worden als ik met haar samen was…
Mijn dochter vertelde een keer dat ze elke ochtend bij dezelfde buschauffeur haar busabonnement moest laten zien terwijl alle blanke kinderen gewoon door mochten lopen. Toen ze het vertelde was die dagelijkse bustocht al niet meer aan de orde. Ongetwijfeld heeft ze nog veel meer van dit soort ervaringen en naar de invloed die dat heeft gehad op haar kan ik voor een deel slechts gissen.

De wereld waarin mijn kleinkind geboren gaat worden is sedert mijn dochter werd geboren ingrijpend veranderd en de veranderingen lijken steeds sneller te gaan. Sommige veranderingen gaan echter langzaam. Robert Vuijsje schrijft over hoe onze samenleving een mix is geworden van tinten en culturen, maar dat desondanks nog veel blanke Hollanders denken vanuit een meerderheid: “zoals ik het zie is de enige juiste manier.”

Mijn dochter heeft bewust gekozen voor een biologische vader met een donkere huidskleur. “Dan lijkt mijn dochter tenminste op mij.”
Terwijl ‘kaaskoppen’ nog denken en handelen vanuit een gevoel van meerderheid en sommige zelfs meerderwaardigheid, hebben mijn dochter en kleindochter in ieder geval elkaar.

Weggooien

Of ik even het wandelwagentje kan vasthouden zodat het niet kiept. Het is een speciaal wandelwagentje, een zgn. doggy ride. Ze vervoert er haar hoog bejaarde teckel in die ze nu gaat pakken om de terugreis te kunnen aanvangen. Ze heeft veel boodschappen in het karretje waardoor het gewicht teveel een kant op gaat. Bij die boodschappen een nieuwe koekenpan. Vanmorgen is haar oude koekenpan gevallen. Hij was wel vaker gevallen, maar ze was er een beetje aan verknocht, maar nu was hij toch echt kapot.
Ik herken dat. Heb al lang een nieuwe koekenpan, maar gebruik nog steeds de oude waarbij ik elke veertien dagen een schroefje moet aandraaien anders valt het handvat er af. De nieuwe koekenpan is net een andere maat en van ander materiaal, we moeten nog aan elkaar wennen. Never change a winning team, maar soms kan het niet meer anders.
Ik heb enige mate van bewondering voor mensen die zaken die beschadigd zijn rücksichtlos weggooien. Alles in hun huis is heel en functioneel, ze hebben nooit uitpuilende kasten maar zijn de eersten die hun kast of lade te vol vinden en dan efficiënt opruimen.
Ik was zo’n type dat die mooie mok of bord waar een klein stukje van af is, toch weer afwast en terug in de kast zet. Was, want sedert iemand die trainingen gaf aan kantinedames me vertelde hoe servies met een barst of andere beschadiging bacteriën verzamelt en hoe hij die bij trainingen onder een vergrootglas liet zien waarbij de dames gruwden, weet ik dat het te onhygiënisch is.
Maar andere zaken zijn nog steeds wel ergens goed voor. Ooit. Misschien. De zolder getuigt van deze misplaatste zuinigheid. Hoewel, ook weer niet helemaal misplaatst, want vanuit milieu oogpunt gezien is weggooien wat nog goed is een slechte zaak. Daarom vind ik al die weggeefwinkels, -tafels en gevelkastjes zo’n uitkomst. Wat je niet meer nodig hebt kun je daar een goede bestemming geven. Er blijkt altijd wel iemand gebaat bij wat jij weggooit.
Ik breng nu elke week iets weg naar zo’n weggeefplek. Mijn huis wordt steeds ruimer… Dat voelt lekker, ook ruimer in mij.
Wie weggeeft wat je niet meer nodig hebt is niet alleen aan het opruimen. Je zorgt er ook voor dat je vertrouwen kan groeien. Het vertrouwen dat het leven, het universum, God of hoe je het ook maar noemen wilt, zorgt dat alles op je pad komt wat je nodig hebt.
We hebben veel minder nodig dan we denken. Ik ben op vakanties steeds weer verbaasd hoe tevreden ik ben met wat ik in mijn koffer heb en wat ik op mijn bestemmingen aantref.
Overbodige zaken zijn ballast, illustraties van je onzekerheid over de toekomst. Die onzekerheid zit in onze westerse, materie gerichte cultuur ingebakken.
In de tijd dat Portugezen en Spanjaarden aan het koloniseren waren vroeg een Indiaanse medicijnman een keer aan zo’n Zuid-Europese handelsman: “Waarom kap je toch zoveel bomen? En waar breng je die naartoe met je schip?”
“Die neem ik mee om voor de toekomst van mijn zoon te kunnen zorgen.”
“Eigenaardig,” zei de medicijnman. “Wij laten de bomen juist staan omdat we vertrouwen dat moeder aarde zo kan zorgen voor de toekomst van onze zonen”.