VOC mentaliteit

In 2001 boekte ik snel en simpel een treinreis naar Valence. Het was even kiezen of ik een overstap wilde in Parijs of alleen in Brussel en het tijdstip van vertrek en klaar was ik.
Nu wil ik diezelfde reis weer maken en ben ik al uren kwijt aan puzzelen welke trein ik dan moet nemen. I.p.v. éen tarief blijk ik te kunnen kiezen voor tarieven tussen 70 en 250 euro. Nee, dit gaat niet over eerste- of tweedeklasreizen. Maar waar gaat het dan wel over? Waarom duurt de duurste reis langer en kost dat 4x overstappen en de goedkoopste maar 2x overstappen?
Overstappen in Parijs wil ik weer niet want dan moet ik in Parijs met de metro van het ene treinstation dwars door Parijs naar het andere.
De goedkoopste ticket vervoert me per TGV, een veel duurdere komt niet verder dan een deel van de reis het comfort van de Thalys. Al zoekende snap ik er steeds minder van behalve dat tijdstippen en prijzen een of ander voor mij onduidelijk verband hebben. En beenruimte kost geld kennelijk.
I.p.v. dat ik eenvoudig een tijdstip kan kiezen moet ik nu als ik prijsbewust bezig wil zijn bij elk tijdstip kijken naar welk tarief er dan gerekend wordt.
Leve de marktwerking in het Openbaar Vervoer.

Ik begin begrip te krijgen voor het pleidooi van Balkenende destijds voor meer ‘VOC mentaliteit’. De marktwerking in allerlei sectoren zorgt ervoor dat we allemaal kleine kooplieden moeten worden.
Behalve natuurlijk de hoge heren zelf. Die hebben een officemanager en/of personal assistent om al dit soort ‘trivialiteiten’ te laten uitzoeken en regelen.
De kleine man heeft het echter nog drukker gekregen. Niet alleen betekent flexwerken dat de werkuren zijn toegenomen terwijl de beloning lager is, maar ook moeten we als we geen dief willen zijn van onze gekrompen portemonnee shoppen voor zorg en weet ik veel wat meer.
Keuzevrijheid lijkt leuk, maar het kost ook tijd. Een vriend citeert vaak een vrouw die hij in de supermarkt hoorde verzuchten: “Ik word gek van al die soorten brood! Welke moet ik nou nemen?!”
Internet maakt kiezen en shoppen makkelijker. Maar zonder internet zou die hele marktgerichte economie instorten, want dan zou je nog meer tijd kwijt zijn aan je inkopen en die tijd heb je niet als hardwerkende burger.
Misschien heeft de marktwerking in alle sectoren van onze samenleving zo bezien zelf ervoor gezorgd dat de koopkracht is afgenomen.

Ten tijde van de VOC persten we derde wereld landen uit. Nu buiten bedrijven overal in de wereld mensen uit. Marktgericht denken en werken helpt ze daarbij. Als mijn redenering klopt, zien we nu de eerste tekenen van hoe dat zich tegen hen gaat keren…

Kilo in een pondzak

“Ik wil vrij zijn!” roept ze uit.
Dat is niet makkelijk met twee kinderen, een hond, een eigen praktijk en het nodige aan relaties. “Dat zeiden ze er niet bij he, toen ik kinderen kreeg, dat je dan je vrijheid kwijt bent.”
Op haar leeftijd had ik net zo’n pakket, maar ook nog vele medewerkers, een moestuin van 140 m2 en zong ik in een coverbandje. Als ik niet iets met dat bandje te doen had in het weekend crashte ik bij mijn latrelatie die dan gelukkig het e.e.a. aan taken overnam.
Zij heeft bijna een jaar geleden gezegd dat het anders moest. Dat het echt 50/50 moest worden met haar partner die ze nu haar huisgenoot noemt want ze heeft het helemaal gehad met hem en heeft nu een minnaar.
Partners van drukke vrouwen hebben het vaak zwaar te verduren.
Ze kunnen het eigenlijk nooit echt goed doen. Want nee, natuurlijk gaat het nog steeds niet goed met die werkverdeling in haar huis. Mannen doen de dingen nu eenmaal anders dan vrouwen en hebben geen eeuwenlange ervaring met zorg in hun genen zitten. En ze kunnen niet zo goed multitasken als (jonge) vrouwen schijnt het.
Ik had het ook steeds opnieuw gehad met mijn ‘lat’. Ruzie na ruzie, pauze na pauze, een keer zelfs eentje van twee jaar. Dat we toch steeds weer bij elkaar zijn uitgekomen is een wonder. De ruzies van de tijd dat ik een kilo in een pondzak probeerde te stoppen, zitten net als zijn ‘dingen’ in onze relatiepatronen. We weten het, maar na zoveel decennia is het lastig om het anders te doen, om elkaar te zien zoals we nu zijn en niet wie we toen waren. We proberen het maar ik besef dat velen het allang zouden hebben opgegeven. Als hij niet mijn ‘tweelingziel’ was, zou ik dat ook gedaan hebben vermoed ik. Zo begrijpelijk dat zoveel relaties stuk gaan.
Zij zegt: “Het schijnt helemaal niet goed voor je te zijn om je hele leven bij dezelfde man te blijven.”
Ik vraag maar niet waar ze dat vandaan heeft.
Ik denk aan de kinderen die steevast de dupe zijn. Elke scheiding van ouders laat geestelijke littekens na bij hun kinderen. Daar verscheen deze week weer eens een rapport over.
Ik hoop daarom dat het weer goed komt tussen haar en haar huisgenoot.
Het is een rustige man. Te rustig vindt zij.
“Hij zegt niet veel, maar wat hij zegt snijdt hout,” vind ik.
Het voorbeeld dat ik daar op haar verzoek van geef blijkt ongelukkig gekozen. Het betreft een inzicht van haar dat hij heeft overgenomen.
Maar misschien is hij ook heel geduldig. Heeft hij net als mijn ‘lat’ een lange adem omdat hij onverstoorbaar zijn eigen dingen in zijn eigen ritme blijft doen zonder kilo’s in pondzakken proberen te stoppen. En heeft hij veel begrip voor de ‘sturm und drang’ van deze eerste generaties vrouwen die alles uit hun leven proberen te halen. Zulke mannen, vol begrip maar krachtig genoeg om zich niet het kaas van het brood te laten eten door de heftig levende vrouwen hebben we nodig.
Of een iets relaxter levenstempo… Waarbij kind en partner een plaatsje in de drukke agenda’s krijgen.
Samen het huishouden managen zit nog niet in onze genen.

Underdog

Wie een hond heeft dient die op te voeden. Zelfs als je buiten je hond continu aan de lijn houdt zijn er legio zaken waar je met de hond op moet trainen. Maar wie goed wil zijn voor zijn of haar hond zorgt ook voor voldoende onaangelijnde lichaamsbeweging. Dat wordt steeds moeilijker. Zowel in stedelijke als landelijke gebieden geldt een aanlijngebod en losloopgebieden worden steeds zeldzamer. Zonder auto is het een compleet dagje uit om in die gebieden te komen en er te kunnen wandelen.
Geen wonder dat hondenbezitters in en rond de binnenstad van Utrecht het enige losloopgebied in de stad, de groenstroken langs de singels, gretig benutten voor wandelingen met hun hond. Uiteraard genieten ook andere inwoners graag van een wandelingetje in dit zgn. Zocherpark (vernoemd naar de beroemde landschapsarchitect die bij de inrichting ervan een grote rol heeft gespeeld). In toenemende mate. Vooral op zonnige weekenddagen kan het er behoorlijk druk zijn, ook met mensen die niet beseffen dat er altijd wel loslopende honden zijn.
Het gaat altijd goed, maar soms is het op de grens.
Zoals een recente zondagmiddag.

Mijn 5 maanden jonge hond is tijdens onze wandeling druk bezig met ontmoeten van andere honden, maar ook mensen die hem op het eerste gezicht leuk vinden door zijn wollige uiterlijk en puppengedrag. Dat vergt veel aandacht van me, want als hij in zijn enthousiasme tegen iemand op zou springen is hij met zijn huidige formaat meteen niet leuk meer. Aangelijnd is het al opletten dat hij niet ineens tegen iemand opspringt (die dat gedrag meestal onbewust zelf oproept), maar onaangelijnd kan ik hem geen seconde uit het oog verliezen als het zo druk is in het park. Dat ligt niet alleen aan de hond. Het aanlijngebod heeft er de afgelopen jaren voor gezorgd dat er steeds minder mensen weten hoe je met een hond om moet gaan. De meeste mensen weten niet dat als je niets met een hond te maken wilt hebben je hem gewoon moet negeren. En welke ouder leert nog zijn kind dat je niet moet rennen in de buurt van een hond omdat de hond dat ziet als een uitdaging om te spelen met alle eventuele gevolgen van dien? Nu dit soort simpele kennis over omgaan met loslopende honden geen gemeengoed meer is neemt het aantal kinderen dat bang is voor honden schrikbarend toe.
Het laatste dat ik wil is een kind een trauma bezorgen en alleen daarom al is het opvoeden van een jonge hond een aandacht vergende klus.
Bij het wandelen door het Zocherpark kijk ik niet alleen voor me en opzij, maar draai ik me ook geregeld achterom. Toch niet vaak genoeg: Ik zie het kind dat per fietsje van de heuvel achter ons komt gesjeesd en op ons groepje inrijdt net te laat: ik grijp mis naar de halsband van mijn hond en blij springt hij tegen het jochie op. Ik grijp mijn hond alsnog in zijn nek, maar het is al te laat. Krijsend jochie, hard hollende ouders. Die hadden natuurlijk kunnen zien dat er onderaan de heuvel een aantal honden aan het spelen waren. Maar het kwam natuurlijk niet in hun hoofd op dat een hond op een aansjezend kind zou kunnen reageren. De moeder blijft op angstvallige afstand en terwijl het kind steeds harder gaat krijsen slingert de vader allerlei verwensingen naar mijn hoofd. Ik vind het vreselijk dat het kind zo is geschrokken en dat zeg ik ook en neem alle schuld op me. Want natuurlijk had ik mijn ‘gevaarlijke rothond’ aangelijnd moeten houden. Een stel mensen neemt het voor ons op: “Meneer die hond was alleen maar speels en heeft echt geen kwaad in de zin.” Maar de vader wordt nog bozer, denkt dat hij uitgelachen wordt en blijft tekeer gaan, het kind gaat steeds harder huilen.
Ik zou willen zeggen: kom op zeg, mijn hond en ik zijn geen monsters! Maar ik zeg alleen nog: “Meneer ga alsjeblieft dat kind troosten,” en loop dan door.
Dit gesprek heeft geen zin, de hond en zijn baas hebben het altijd gedaan.
Dat de toenemende bevolkingsdruk een kwestie is van geven en nemen komt bij weinig mensen op.

In datzelfde park heb ik mijn jonge hond de eerste ‘joggerstraining’ proberen te geven. Maar het puppy was zo aantrekkelijk dat hij beloond werd voor zijn opspringend gedrag met knuffels en vriendelijke woorden. Ik ben maar op andere manieren gaan trainen in het afleren van opspringen tegen joggers. Als het nu toch nog mis gaat, gelukkig heel af en toe nog maar en vermoedelijk vooral doordat mijn pup de jogger herkent die hem ooit knuffelde, is het natuurlijk geheel en al mijn schuld. Als we niet snel genoeg opzij gaan voor de hardlopers ook.
Eigenlijk vind ik die joggers steeds gevaarlijker worden. Het worden er steeds meer en iedereen moet voor ze opzij. Niet alleen (het afnemend aantal) honden met hun bazen.

Voor- en naoordeel

Tijdens een ommetje met de hond sla ik een klein straatje in. Ik hoor geroep achter me: “Mevrouw! Mevrouw!” Ik ben nog steeds niet gewend aan dat mensen mij zo aanduiden, maar als het geroep aanhoudt draai ik me om. Aan de overkant van de straat waar ik net vandaan kom staan twee mannen naast hun fiets. Hun sturen hangen vol kleurige boodschappentassen.
Het zijn een zeer lange, jonge man met kortgeknipt haar en keurige kleren en een oudere man met lang haar en kleurige kleren.
“Mevrouw! Mogen we u iets vragen?” Het is nog vroeg in de zaterdagavond, de kans dat ik met dronkaards te maken heb is klein. “Ja hoor,” roep ik terug. Ze steken de straat over en komen het kleine straatje in. Ik loop ze tegemoet.
“Mevrouw, mijn zoon werkt bij de Groene Winkel en daar hadden ze veel brood over. We hebben het mee genomen, maar het is te veel voor ons. Wilt u misschien een brood hebben? We dachten toen we u zagen lopen: Die mevrouw wil misschien wel een brood hebben. Het is vandaag gebakken brood.”
“Ik bak mijn eigen brood,” reageer ik, “maar een lekker biologisch brood sla ik niet af!” De hoofdreden dat ik mijn eigen brood bak is dat biologisch brood uit de winkel zo duur is. (Is dat aan me te zien? Of zie ik er alternatief genoeg uit met mijn lange rode haar? Ik kies voor het laatste)
De jonge man vraagt wat voor brood ik wil. Al het brood van de Groene Winkel is lekker, maar het zou niet eens in mijn hoofd opkomen dat ik nog keus zou hebben ook. “Doe maar wat je kwijt wilt,” zeg ik.
Ik krijg een prachtig vloerbroodje met sesamzaad erop.
“Wow, een lekker lemairebrood! En dat krijg ik zomaar?”
“Wat ontzettend aardig van jullie! Dánk jullie wel!”
Ze keren met enige moeite hun zwaar beladen fietsen.
“En daar zijn jullie me ook nog speciaal voor achterna gekomen?! Heel bijzonder hoor, nogmaals heel hartelijk bedankt!”

Wat kan het leven toch bijzonder zijn als mensen zo gul en hartelijk met elkaar omgaan. Ik loop met heel lichte tred en een blij hart naar huis. Dankbaar voor zo’n mooie gebeurtenis, zomaar op een druilerige zaterdagavond.
Thuisgekomen blijkt het een nog zeer knapperig lekker vers en stevig zuurdesembrood waar mijn hond en ik heerlijk van genieten.

De volgende ochtend vroeg passeren mijn hond en ik bij een ommetje een ander klein straatje. Het is semi voetgangersgebied, auto’s worden er niet geparkeerd. Als ik het straatje inkijk staat daar een mij onbekende man met zuidelijk voorkomen die met een accent begint te roepen: “He, Kom eens hier!”
De gedachte aan het brood is nog vers, maar nu reageer ik met een licht gevoel van schrik in mijn lijf.
Een vooroordeel? Jazeker, voor een deel gebaseerd op een naoordeel. Ik ben diverse keren uitgescholden als ik door dat straatje liep, bedreigd zelfs dat ik het niet moest wagen nog een keer met mijn (vorige) hond door dat straatje te lopen want daar hadden ze last van omdat hun hond dan ging blaffen, een zoon uit een Marokkaans gezin daar heeft gedreigd mijn tanden uit mijn bek te slaan omdat ik er wat van zei toen hij me op de stoep voor mijn deur bijna omver reed met een bromfiets, iemand uit die straat gaf een keer zijn hond opdracht de mijne aan te vallen en iemand anders liet me zelfs zijn pistool zien. Toch loop ik elke dag wel een keer door dat straatje, inmiddels ken ik er ook diverse zeer aardige bewoners, door migratie komen er steeds meer aardige bewoners bij.
Maar op zondagochtend om acht uur toegeroepen worden uit dat straatje waar dan bijna iedereen uitslaapt gaat me te ver kennelijk. Ik ken hem niet en het lijkt me dat ik voor hem een toevallige passant ben. En de commanderende toon komt niet goed aan bij mij.
“He kom eens hier! Ik heb wat voor je!”
Wat kan die man hebben voor mij? Een oplawaai? De gedachte dat hij iets aardigs in de zin kan hebben komt wel in me op maar verwerp ik. Terecht of onterecht?
“Sorry heb nu geen tijd!” roep ik -niet al te hard- terug en loop door.
Voor de mannen van de vorige avond zou ik wel tijd gehad hebben.
Wat een naar gevoel, dat wantrouwen. Een etmaal verder nu vraag ik me nog steeds af of ik niet gewoon op zijn minst een stukje naar de man had kunnen toelopen om te zien wat hij in de zin had. Maar ik reageerde vooral instinctief. Misschien heb ik die man wel tekort gedaan, misschien was mijn instinct teveel gebaseerd op vooroordeel, voortkomend uit naoordeel of de toenemende angstcultuur. Misschien was mijn reactie terecht. Wie zal het zeggen…
Het leven heeft verschillende kanten.