Woede en vergeving

Martha Nussbaum schreef een boek met die titel. In de boekomschrijving van de uitgever lees ik: “Nussbaum ontleedt ook het begrip vergeving kritisch en vindt een vergevende houding in de kern egoïstisch en weinig behulpzaam. De verongelijkte manoeuvreert zich immers in een moreel superieure positie, waarbij hij niet langer onder zijn woedegevoel lijdend, zichzelf de macht heeft toegekend om al dan niet gratie te verlenen en zo triomfeert.”
Maar is dat erg dan?
Lijden onder een woedegevoel -dat erkent Martha ook- is behoorlijk desastreus.
Oplettende lezers van mijn blog/columns zal niet ontgaan zijn dat ik de afgelopen periode te maken heb gehad met enorme pesterijen waardoor ik mijn hond een ander huis heb moeten bezorgen.
Nadat hij weg was kwam ik in een fikse rouwperiode terecht. De rouw was erger dan toen mijn vorige hond overleed. De dood is een onvermijdelijk bij het leven horend verschijnsel en ook al is het niet leuk om iemand waar je om geeft te verliezen aan de dood, je kunt niet anders dan aanvaarden dat het zo is. In het geval van het afscheid moeten nemen van mijn hond omdat dat beter voor hem was en voor tal van andere betrokkenen zoals mijn naaste buren, lag dat anders. Ik heb een jaar lang voor hem gezorgd, hem opgevoed van pup af aan en dat doe je in het idee dat je met een beetje geluk nog een lange tijd te gaan hebt samen. Mijn leven was er op ingericht, ik kon bijna niet wachten tot hij genoeg uitgegroeid was om urenlange wandelingen in de natuur te maken met hem. Feestjes vind ik dat; met je eigen hond door de natuur struinen. Voor mij zijn dat DE momenten dat je band met je viervoeter het meest voelbaar is. Je bent op elkaar ingespeeld, je weet van elkaar waar je interesses naar uitgaan. Bij Leonardo waren dat o.a. vogels. Hij zag en hoorde ze, ook de kleinste vogeltjes die hoog in een boom zaten en liet me dat weten waardoor ook ik ze opmerkte. De tweede keer dat ik bramen plukte kwam hij me helpen. Hij probeerde zijn grote bek een beetje te tuiten om de stekels te vermijden en als hij een braam geplukt had at hij die zelf met smaak op.
Kortom, ik mis hem. Dat hij een heel goede nieuwe plek heeft is een troost. Maar mijn leven is veranderd omdat hij er niet meer is. En gezien het feit dat ook met mijn vorige hond problemen waren door de pestkop, is een nieuwe hond geen optie.
Zo’n ingrijpend gevolg van getreiter kon ik moeilijk verteren. Ik werd er letterlijk en figuurlijk ziek van. Drie weken lang had ik maagpijn, daarna een kaakontsteking enz. Naast de rouw moest ik zien te dealen met gevoelens van onmacht en woede. In mijn hoofd kwamen tal van gedachten vol wraak, wrok en rancune. Het mededogen dat ik 30 jaar lang voor de ontspoorde vrouw heb gehad, was verdwenen. En komt ook niet meer terug. Ze geniet zo duidelijk van haar getreiter dat ik haar nu zie zoals ze is: een kwaadwillende vrouw.
Daar wil ik niks mee te maken hebben. En ik wil niet dat iemand met zulke gemene gedachten nog op wat voor manier dan ook vat op mij kan krijgen. Dat haar getreiter me mijn hond heeft gekost is al erg genoeg.
Dus moest ik een weg zien te vinden om van al die negatieve emoties in mezelf af te komen. Daartoe is een mooie weg: die van vergeving. De treiteraarster vergeven kan ik (nog?) niet. Maar ik kan mezelf vergeven dat ik haar niet kan vergeven.
Daardoor kan ik die destructieve emoties van wraak, wrok en rancune los laten.
Daar is niets superieurs aan. Het is bevrijdend.
Voor mij.
Ik kan weer verder met mijn leven. Hoe precies weet ik nog niet, daarvoor is er nu even teveel tegelijk veranderd. Maar ik weet wel dat ik mijn leven vorm kan geven vanuit vrije gedachten en een liefdevol hart. En dat pakt niemand mij af.

img-20161219-wa0004

 

Getreiter

“Het is als met kleptomanie,” zei iemand in de straat. “Zoals een kleptomane niet kan zonder stelen, zo kan deze vrouw niet zonder de spanning van het treiteren.”
De spreker woont nog niet zo lang in ons straatje, maar verwoordt bondig wat we al meer dan 31 jaar ervaren. Zo lang? Waarom is het dan nog niet gestopt?

“Mensen hebben het steeds over meer politie op straat,” zegt een auteur met goede connecties bij de politie, “maar als iedereen nou eens aangifte ging doen of officiële meldingen maakte, had de politie het een stuk makkelijker. Maar dat gebeurt dus heel weinig.”

Terwijl ik dacht dat het dossier bij politie en woningcoöperatie van deze vrouw misschien wel een meter dik is, blijkt het veel dunner door gebrek aan officiële klachten en aangiftes. Deels komt dat omdat vooral de eerste jaren klagers in gesprekken met de elkaar snel opvolgende wijkagenten nogal eens te horen kregen dat ze beter geen aangifte konden doen om de problemen niet verder te laten escaleren. Dat een van de eerste slachtoffers zo getreiterd werd dat ze na drie maanden in de psychiatrie belandde en nooit meer naar haar huis hier terugkeerde, staat niet in de dossiers. Dat de opvolgende bewoner familie is van de pestkop, was de woningverhuurder niet bekend, ondanks dat het familie in de eerste graad betreft. Volgens de woningcoöperatie komt dat omdat ze alleen naar de achternamen van de manlijke huurders kijken en niet naar de meisjesnamen van hun partners. Maar ik denk dat het beleid is (was?) om familieleden die bij elkaar in de buurt willen wonen die gelegenheid te geven en dat er toen nog te weinig dossiervorming was over de terroriserende  praktijken van die familieleden.

Bij de woningcoöperatie hebben ze speciale mensen in dienst die zich bezig houden met buren- en buurtoverlast. Samen met de wijkagenten en maatschappelijk werkers vormen ze sociale teams die inspringen als de overlast te extreem wordt. De vorige specialist bij de verhuurder aaste al jaren op een kans om de treiterkop aan te pakken, maar verder dan een waarschuwing dat bij een volgende melding ze uit huis gezet werd is het nooit gekomen. Het hielp twee jaar. Daarna begon ze langzaam maar zeker weer.
De nieuwe sociale onvrede specialist bij de verhuurder klaagt dat hij te weinig klachten krijgt uit onze straat e.o. om effectief te kunnen ingrijpen en dat uit het klachtenpatroon blijkt dat de treiterkop als de grond te heet onder haar voeten dreigt te worden, van slachtoffer wisselt. Zodoende is er steeds maar 1 klager tegelijk. Of ik niet kon zorgen dat mensen die, zeg pakweg de afgelopen anderhalf jaar gepest zijn, zich wilden verenigen. Al had hij er ‘maar’ 5, daar kon hij wat mee. Misschien zelfs zorgen dat er eindelijk psychische hulp komt voor die mevrouw. Ik wist er minstens 7. Maar de een heeft het veel te druk met het eigen bedrijf opbouwen, de ander was blij dat het opgehouden was en bang dat het weer zou beginnen, de derde had nadat zij de treiteraarster had aangesproken op ongewenst gedrag een bezoekje gekregen van haar best wel forse en behoorlijk intimiderende echtgenoot, twee anderen hadden de dreigbrieven die ze maandenlang gekregen hadden weggegooid en wilden er niets mee te maken hebben, een volgende dopte liever haar eigen boontjes…

Mijn ervaringen werpen voor mij een ander licht op de verhalen over buurtoverlast en sociale cohesie. Veel mensen kijken of lopen weg van problemen.
Als ik vertelde over de pesterijen jegens mijn hond, kreeg ik vaak het advies om gewoon de deur achter me dicht te trekken en me nergens wat van aan te trekken. Maar dat helpt niet als je hond getreiterd wordt met een hondenfluitje dat pijn doet aan zijn oren… Het stopt het geblaf niet waar je eigen buren last van hebben. En het helpt voor zoveel meer niet. Het is een illusie om te denken dat je achter je eigen deur gevrijwaard bent van ellende. Diverse verhuizingen in ons straatje vertellen daarover.
We creëren onze eigen pestkoppen door in onze schulp te kruipen. Pas als vele mensen tegelijk ergens last van hebben, wordt er iets van sociale cohesie zichtbaar…
Ik vrees dat dit mechanisme op veel maatschappelijke problemen van toepassing is. In het kleine herken ik het grote…

Ik gun iedereen een comfortabele, veilige en intieme woonplek. Prettig wonen is een levensvoorwaarde. Slachtoffers van inbraak of geweld in hun woning hebben vaak grote problemen met hun gevoelens van veiligheid in hun eigen huis. Dat gold ook voor mijn hond die daardoor niet meer bij me kon blijven wonen.
Helaas, de wereld houdt niet op bij je voordeur… hoe graag we ons ook in die illusie willen koesteren en hoever je met de visualisatie daarvan ook kunt gaan… Zelfs je idee van afgescheiden zijn van anderen is een illusie…

 

 

 

 

Iedereen journalist

Aan het begin van de turbulente jaren zeventig bezocht ik de School voor de Journalistiek. Je kwam niet zomaar op die school, er gingen uitgebreide toelatingsexamens aan vooraf en daarna moest je maar afwachten of je ingeloot werd. Dat laatste probleem had ik niet. Ik was al enige jaren werkzaam in de journalistiek en had daarbij de noodzaak van meer scholing ervaren en dat werd gehonoreerd met een ‘automatische’ toelating.
De school, destijds gevestigd in een oud gebouw in de Utrechtse Palmstraat, was de eerste formele opleiding in journalistiek en werd in het vak met de nodige scepsis bekeken. Tot dan toe werd journalistiek beschouwd als een roeping, een vak waar je voor ging, wat je door vallen en opstaan leerde en waarbij je als je geluk had feedback kreeg van een ervaren journalist die inmiddels zijn dagen sleet als redacteur.
Ik wilde me graag scholen in tv-journalistiek, maar telkens als ik was ingeschreven voor een semester werd belangrijke apparatuur uit de studio ontvreemd. Uiteindelijk zou ik mijn tv-semester jaren later als extraneus doen en vooral de cameratechniek kreeg daarbij uitgebreide aandacht, om te beginnen het zgn. witten’. Door je camera te richten op een A4 wit papier, kon je de zgn. ‘witbalans’ instellen, waardoor de kleuren van je opnames die je na het ‘witten’ maakte, konden gaan overeenstemmen met die in de werkelijkheid.
Kom daar nu nog eens om: Je pakt simpelweg je smartphone en begint te filmen en het apparaat regelt geheel automatisch de belichting.
In de beginjaren van Internet riep internetjournalist Francisco van Jole tegen eenieder die dat wilde horen dat uiteindelijk iedereen zijn eigen omroep werd.
Willem de Ridder begon al snel Ridderradio en bedacht daarna dat iedereen zijn eigen tv-journalist kon worden bij wdro.tv (Willem de Ridder Omroep). Hij hield eens een pleidooi tegen me over de voordelen van ongemonteerde interviews, waar hij zelf zich inmiddels een grootmeester in betoont. Ik werd er behoorlijk door geënthousiasmeerd en zou wellicht inmiddels ontelbare interviews bij wdro hebben geplaatst, ware het niet dat de plaatsingsprocedures niet helemaal goed werken en de systeembouwer naar het buitenland is verhuisd en kennelijk geen echte opvolger heeft. Het nadeel van vrijwilligerswerk maar het toont ook aan dat een omroep runnen, zelfs een digitale, toch geen sinecure is. Een systeem runnen kost tijd, kennis en.. geld.
Hoe groot voorstander ik ook ben van niet knippen en plakken met interview beeldmateriaal, simpelweg vanaf éen camerastandpunt een lang gesprek vastleggen kan saai worden en niet toereikend. Ter vergelijking twee interviews: met Guus Lieberwerth, en een gesprek met Eveline Bijkerk. Het eerste gesprek is gefilmd door een professionele cameraman en daarna intensief gemonteerd met beelden van de natuurlijke omgeving waarover gesproken wordt, het tweede mist elke vorm van context. Het verschil tussen professie en amateur.

Wat voor de technische aanpak geldt, geldt ook inhoudelijk. Een goed gesprek voeren en vastleggen vergt voorbereiding. Je echt verdiepen in de ander, met volle aandacht luisteren, indien nodig of zinvol de juiste vragen stellen. Het lijkt simpel, maar het is een vak. Misschien heb je een speciaal talent voor dat soort gesprekken, misschien heb je talent om journalist te worden.
Journalist is een onbeschermd beroep, iedereen die zichzelf journalist wil noemen mag dat. Maar jezelf zo noemen is één ding. Een goede journalist zijn een tweede.
Dankzij amateur video verslagen komen zaken aan het licht die anders misschien verborgen waren gebleven, maar niet elk amateurfilmpje is journalistiek.
Met de nieuwe media en de smartphone kan iedereen vlogger worden. Of tv-journalist. Maar niet elke vlogger wordt populair.

Van de vele mensen die de afgelopen decennia afstudeerden aan een van de journalistieke opleidingen in ons land, zijn de meeste geen journalist geworden of gebleven. Het is een veeleisend vak. En niet alleen vanwege factchecking (zie vorige column).
“Betrouwbare journalisten selecteren en plaatsen informatie in een context. Zij hebben spelregels en passen hoor- en wederhoor toe”. Deze zin staat op de flap van het in oktober uitgekomen boekje: ‘Iedereen journalist‘ van Roeland Schweitzer en Willem Wansink. Een bondig boekje, leerzaam voor iedereen die overweegt het woord journalist op zichzelf van toepassing te verklaren. De gelijknamige  driedelige documentaireserie van de NTR is een aanrader voor eenieder die denkt dat journalist een uitstervend vak zou zijn…
Steeds meer mensen hebben alleen nog social media als nieuwsbron. Nergens wordt zo gemanipuleerd met ‘de waarheid’ als in de social media. Goede journalisten zijn daar hard nodig.

 

Klopt dat wel?

Vorige week viel het boekje ‘Klopt dit wel?’ van de Volkskrant in de bus. Het boekje is een bundeling van artikelen van de gelijknamige rubriek die zich bezig houdt met factchecken.
Fact checken, feiten verifiëren is een basis eis voor goede journalisten en in deze tijd van social media belangrijker dan ooit. We sturen elkaar van alles door, vaak zonder dat we weten of de gegevens waar zijn, werkelijk gebeurd en/of op feiten berusten. En dan gaat het niet alleen over de zgn. hoax.
Er wordt veel onzin beweerd en in die zin is de Volkskrant rubriek een zinnige bijdrage. Maar als ik die stukjes lees word ik er toch niet blij van. Ik mis vaak wat.
Er wordt 1 feit gecheckt, en dat lijkt zinnig en genoeg, maar is het in mijn ogen vaak niet.
Bijvoorbeeld: het eerste artikel gaat onder de titel ‘Gif in je slip’ in op een bewering dat Monsanto gif zelfs residuen achterlaat in de katoen waar tampons van gemaakt wordt. Het gaat dus niet om je slip, maar om gif dat je met de tampon in je vagina inbrengt. De bewering wordt als onzin bestempeld, maar daarmee weet ik nog niet of allerlei andere beweringen over tampons wel of niet waar zijn. Zo zijn er jonge firma’s die tampons van biologisch katoen verkopen omdat niet biologisch katoen niet alleen problemen kan hebben met landbouwgiffen, maar ook nog eens gebleekt wordt. De huid is een gevoelig orgaan en al helemaal in de vagina. Als nicotine kan worden opgenomen door een pleister op je huid te plakken, kunnen giffen en bleekmiddelen ook makkelijk door de huid worden opgenomen. Dan mag de hoeveelheid landbouwgif wel verwaarloosbaar zijn, maar als de residuen van bleek daarbij worden opgeteld, wat dan?
Ziehier het probleem met de factchecking. Eén feit logenstraft niet een trend aan beweringen die dus rustig doorgaan.
We zijn met z’n allen en de social media mondiger dan ooit. Maar we krijgen ook zoveel informatie binnen, dat we die niet meer makkelijk op hun waarde kunnen inschatten. Waar rook is is vuur schijnen we van oudsher te denken en dus is één weerleggend feit meestal niet meer genoeg om beweringen te logenstraffen.
Het werkt een ander mechanisme van deze tijd verder in de hand: het mechanisme dat we overal een mening over zouden moeten hebben.
Goede gesprekken worden steeds zeldzamer, relaxed discussiëren lukt in de daartoe geëigende tv programma’s alleen nog maar dankzij strakke gespreksleiding. Maar juist die programma’s lijken de trend om vooral te praten in meningen, denken in kampen, in de hand te werken. Immers, zet een voor- en een tegenstander bij elkaar en je krijgt knetterende debatten en dat, zo redeneert men kennelijk, is goed voor de kijkcijfers.
Maar de vraag is zo langzamerhand of dat wel waar is.
Mensen vertrouwen de oude media steeds minder en zoeken hun eigen weg in de nieuwe. Zonder factcheckers.
Want je bent simpelweg voor of tegen iets. Je behoort tot het kamp van dit of het kamp van dat.
Als je alternatief bent wil je geen gebleekte katoen in je slip, laat staan in je vagina. En nergens landbouwgif meer op.
In een samenleving waar mensen voor of tegen zijn, zwart-wit kijken, is de waarheid kennelijk minder belangrijk dan het gevoel dat mensen het met je eens zijn… Daarom is Facebook zo’n succes. Dat je vooral contact hebt met gelijk gestemden werkt het software systeem in de hand en wordt kennelijk erg gewaardeerd.
Zij tegen wij, wij tegen zij.
Wie niet voor me is, is tegen me.
De nuance is zoek.