Leeg hoofd

Het lijkt in de publieke ruimte alleen nog maar toe te nemen: mensen die niet meer naar elkaar maar alleen nog op hun scherm kijken.
Bij reizigers is dat gedrag helemaal opvallend.
Naar buiten kijken in de trein is er niet meer bij, praatjes maken wordt steeds zeldzamer.
Ik kijk graag naar buiten, vooral bij mooi weer op weg naar onbekende of minder bekende bestemmingen.
Zo zag ik vandaag vanuit de trein het polderlandschap van de zeevang en vond het een toekomstgericht denken waarmee de spoorlijn zo hoog aangelegd bleek. Ik was enigszins verbijsterd over het vertrouwen dat bewoners van huizen die onder een dijk van het IJsselmeer lagen moeten hebben om daar te wonen. Die woningen, waaronder veel van boeren, liggen zo laag dat bij een overstroming alleen hun dak nog boven het water uit zou steken. Dat lijkt me in deze eeuw van opwarming van de aarde en verhoging van de zeespiegel niet zonder gevaar.
Praatjes maak ik ook graag.
Vooral met mensen die hun telefoon in de aanslag hebben. šŸ˜‰
“Wat een geweldige apparaten he,” zei ik tegen een mevrouw die aan de andere kant van het gangpad al een half uur intensief met haar smartphone bezig was en op dat moment mijn enige medereiziger in die coupe. Ze bevestigde mijn observatie en vertelde uit zichzelf dat ze dat ding niet de hele dag bij zich had. Maar zo in de trein was het wel fijn alle appjes even bijwerken.
De mevrouw die ik toch zeker een paar jaar ouder schat dan mezelf logenstraft het idee dat bejaarden niet met smartphones om zouden kunnen gaan.
Soms is het anders dan je denkt. Zo zat ik vorig jaar op een Turks vliegveld een uur tegenover een stel dat niet met elkaar sprak, maar allebei hun telefoon voor zich hield. Pas toen ik opstond ontdekte ik dat ze een spelletje speelden, samen šŸ˜‰

De gratis metro krant was vandaag in extra grote getale op de stations aanwezig, zodat ik hem zelfs nog begin van de avond kon scoren. Ik dacht dat de grote oplage met de verkiezingen te maken zou hebben, maar daarvoor verwees de krant naar hun website.
Wat ik interessant vond waren de vijf tips om je hoofd leeg te maken op pagina 11. Want ja! dat vind ik een van de voornaamste voordelen van reizen: dat je de tijd en de rust hebt om meditatief of contemplatief bezig te zijn.
Al die mensen met hun telefoon voor hun neus maken geen gebruik van die gelegenheid.
Waarom eigenlijk niet?
Zien ze reizen als verloren tijd die ingehaald moet worden door iets te doen tijdens het reizen?
Is het reizen zo’n onderdeel van hun drukke leven dat ze blij zijn hun apps en mailtjes en Facebook even bij te kunnen werken?

Wachtend op de bus zag ik een jonge man iets doen wat ik al lang niet meer gezien had: een kruiswoordraadsel oplossen (en ondertussen naar iets door een koptelefoon luisteren, ongetwijfeld via zijn smartphone).
In de overvolle stadsbus vanaf het station moest ik blijven staan waardoor me blikken gegund werden op heel veel verschillende telefoonschermpjes. De meeste mensen bleken bezig met WhatsApp of Facebook, maar een aantal zaten ook domweg spelletjes te spelen.
EĆ©n van de vijf tips in de Metro was deze:
Zet je telefoon op stil en stop hem in je jas of tas. Zonder deze afleiding wordt het vanzelf stiller in je hoofd.

Juist in een trein word ik makkelijk stil in mijn hoofd. Waardoor ik er veel van mijn diepste inzichten en beste ideeƫn heb gekregen.

20180322_192138

Advertenties

Shoppen

Op de markt scoor ik een leuke voorjaarsbroek en een vest voor volgende winter voor samen 9 euro. Kennelijk staat die marktkoopman ook op de Utrechtse Bazaar want daar is het plastic tasje van, waar hij het textiel voor me in verpakt.
Je kunt er
‘gezellig shoppen’ lees ik de koeienletters die erbij staan.
Meteen is mijn blijdschap over de gescoorde kleding behoorlijk bekoeld. Ik hou helemaal niet van shoppen!
Ik heb een of twee keer met mijn Griekse vriendin kleding geshopt, waarvan ik het zachtgele katoenen jasje dat ik samen met een bijpassende broek kocht nog steeds kan dragen ondanks maatveranderingen. Met een eveneens overleden andere vriendin ben ik een paar keer ‘gezellig de stad in geweest’, waarbij het er voor haar vooral om ging om relaxed rond te snuffelen bij exotische stalletjes en winkeltjes. Ik heb er nog steeds een klein houten doosje van fijn houtsnijwerk aan overgehouden met een brok amber erin die nu, decennia later, tot poeder begint te vervallen. Hoewel ik die aanschaf nog steeds waardeer, ging het mij meer om de maaltijd in een restaurant waarmee we het ‘gezellig winkelen’ afsloten.
De regenjas die ik kocht tijdens de enige keer dat ik met mijn dochter in Amersfoort ging winkelen heb ik ook nog steeds.

Ik heb dat allemaal zo goed onthouden omdat ik dat normaliter niet doe, winkelen. Ik koop liefst snel en efficiĆ«nt en vindt de kleine dinsdagse markt in Hoograven plezierig omdat hij overzichtelijk is, de prijzen er lager zijn dan op de grote weekmarkt in het centrum en ik in de loop der jaren een zekere band heb opgebouwd met de marktkooplieden. Ik blijf het plezierig vinden als ‘mijn’ groenteman zodra ik aan de beurt ben vraagt “5 witte?”, waarmee hij mijn veertiendaagse aanschaf van witte grapefruits bedoelt.
Het is comfortabel dat ‘mijn kaasboer’ precies weet welke kazen ik lekker vind en die feilloos kiest om even van te proeven. En ja, het is ook leuk als de vrouw van ‘mijn’ visboer, zelf een jonge moeder, vraagt hoe het met mijn kleindochter is.
Dat soort dingen maakt boodschappen doen gezellig.
De gezelligheid in de supermarkt moet komen van vrienden en kennissen die ik daar soms tegenkom en dan sta je altijd wel iemand in de weg..

Duurzame zaken zijn bijna niet meer te koop op markten. De aanschaf daarvan wordt meer en meer online gedaan. Dat is behoorlijk efficiƫnt, ook om kwaliteit en prijzen te kunnen vergelijken.
Toch worden er niet vaak pakketjes bij mij thuis bezorgd.
Om een simpele reden:
ik ben van het Konsuminderen en koop pas iets nieuws als het oude echt versleten is.
Daarom had ik behoorlijk de pest in dat ik bij mijn kaasboer een kaasschaaf moest kopen. De vorige was na vele jaren trouwe dienst van zijn handvat afgebroken. Ik had er daarom een van rvs gekocht bij de bekende huishoudzaak die nog steeds aan het inkrimpen is.
Nou snap ik waarom. Het roestvrije stalen ding ligt nu in de vuilnisbak (metalen vissen ze er toch uit hoop ik bij de afvalverwerking?) want ik kon hem niemand anders aandoen; je kon er absoluut geen recht plakje kaas mee snijden… alleen een soort bobbels..
Ik hoop dat die huishoudzaak iets aan de kwaliteit van de verkochte spullen gaat doen. Die kleine spullen koop je niet makkelijk online.
Maar kopen om weg te gooien is nog erger.

Tegenwoordig wordt Konsuminderen gewoon weer met een C geschreven. Misschien is dat een teken dat het idee erachter breder onderschreven wordt.
Misschien illustreert de leegstand van winkelpanden in de binnensteden niet alleen de toename van online aankopen doen, maar is er ook een teruggang van ‘gezellig’ shoppen…

Sterfelijkheid

Met je verstand weet je natuurlijk, ooit ga je dood.
Maar kun je je daar wat bij voorstellen?
Kun je je echt voorstellen dat je er op een dag niet meer bent?
Voor je gevoel ben je er, oneindig.
Hoe meer je in het hier en nu leeft, hoe sterker dat gevoel lijkt te zijn.
Spiritueel georiƫnteerde mensen denken dat het komt omdat je in wezen ook onsterfelijk bent. Je ziel, je goddelijke vonk, hoe je het ook noemt, leeft voort en aangezien dat de wezenlijke motor van je bestaan is, voel je je zelf onsterfelijk.
Het is een mooie verklaring die ik graag wil geloven.
Maar als ik doodzieke mensen zie vastklampen aan het leven ga ik daar behoorlijk aan twijfelen.
Ik behoor tot de leeftijdscategorie waarbij het wegvallen van mensen waar je een groot deel van je leven mee optrok vaak voorkomt. Ik zie en hoor dus nogal eens van alles over die doodstrijd. Vooral bij mensen die ‘de’ diagnose krijgen. Dat zijn de meesten, want inmiddels gaat een op de drie Nederlanders dood aan kanker.
De eerste reactie is vaak ongeloof. Ineens blijk je toch echt sterfelijk.
Gisteren belde weer een vriend dat hij slecht nieuws had.
In december begon hij voor het eerst ergens pijn te krijgen en de afgelopen drie weken was hij voor allerlei onderzoeken 12 keer in het ziekenhuis. Morgen komt de uitslag, maar eigenlijk weet hij die al, want op een MRI-scan waren op zijn hele lichaam ‘vlekken’ te zien.
Voor hem geen chemo’s en bestralingen, daar gelooft hij niet in. Maar hij slikt o.a. speciaal geconcentreerde kurkuma en gaat proberen zoveel mogelijk van de laatste fase van zijn leven te genieten. Zijn stem klonk broos, hij kan het nog nauwelijks geloven en.. heeft al morfine.
Ik op mijn beurt kan nauwelijks geloven dat ik hem binnenkort vermoedelijk voor de laatste keer ga zien.

Wie nog gelooft dat kanker een ziekte is die tussen de oren ontstaat zou ik willen wijzen op dat Nederland behoort tot de landen met de meeste kankersterfte binnen Europa. De helende reis van Brandon Bays wordt daarmee een weg die voor kanker bijna niet meer opgaat. Het tempo waarmee in Nederland de ziekte zich vaak ontwikkelt sluit het helen door zo’n innerlijke reis meestal uit.
Onze lucht is vuil, ons water is vuil, ons voedsel deugt niet en het barst van de straling!
Waarom protesteren we daar zo weinig tegen? Op de oude manier of op de nieuwe liefdevolle manier?

Misschien dat je eerst ziek moet worden om te geloven dat je dood gaat.
Misschien moet je eerst ervaren dat je aan kanker doodgaat voor je begrijpt hoe vervuild onze leefwereld is.
Als dat al zo moeilijk is, wordt ook begrijpelijk waarom we zo gelaten reageren op de klimaatverandering en andere grote rampen in de wereld ten gevolge van hoe we omgaan met ons leefklimaat.
Ik zie steeds vaker al dan niet wetenschappelijk onderbouwde artikelen die proberen uit te leggen dat onze hersenen niet geschikt zijn voor bewustzijn van gevolgen op de lange termijn. We kunnen ons niet zodanig een voorstelling maken van rampen die over tien of nog meer jaar kunnen gaan plaatsvinden dat we ernaar gaan handelen.
Misschien moeten we eerst grote massale rampen meemaken voor we geloven dat het echt fout gaat…

Mijn zieke vriend zei: “Misschien is het wel goed dat ik nu ga. Dan kan ik als er massale sterfte komt, jullie helpen opvangen.”

Helden

Zal ik mijn telefoon meenemen? vroeg ik me vanmorgen af toen ik op het punt stond mijn ‘leenhond’ naar huis te brengen. Hardleers als ik ben deed ik het niet. Geen gedachte komt voor niets bij je op weet ik en toch negeer ik de ingevingen nog steeds af en toe.
Aangekomen bij de Rembrandtkade had ik al spijt. Midden op het ijs zag ik een jonge man op zijn knieƫn zitten. Met een ijspriem was hij bezig een cirkel te hakken rond een vogel die daar vastgevroren zat.
“Oh wat goed!” riep ik hem toe. “Je bent een held!”
Hij wimpelde het compliment weg.
Ik dacht aan mijn Facebookvriendinnetje die graag filmpjes plaatst van dit soort helden die dieren redden. Als ik zo’n filmpje tegenkom, deel ik hem steevast met haar. Als ik mijn telefoon bij me had, zou ik een prachtig filmpje kunnen maken. Maar de jonge man was blij dat ik dat niet kan.
“Ik heb een hond bij me dus kan beter niet dichterbij komen, maar kan je wel helpen door een steen te zoeken of zo,” was mijn povere hulpaanbod.
“Ik denk dat het wel gaat lukken,” zei de held.
Het ijs was behoorlijk dik dus het kostte nog wel wat moeite. Vermoedelijk was de man speciaal thuis de ijspriem gaan halen en ook zijn handschoenen van een dik soort plastic leken speciaal voor de klus gemaakt. Uiteindelijk kon hij met die handschoenen in het water en de vogel met het uitgehakte ijs optillen en meenemen. Naar zijn huis vermoed ik waar hij ongetwijfeld goed voor haar zal zorgen (als ik het goed heb gezien voor zover dat gaat met zo’n steeds fladderend dier, was het een vrouwtjes merel). Toen hij met het diertje wegliep zag ik hem geruststellend zijn hand erop leggen, zoals hij dat ook een paar keer gedaan had tijdens het ijspikken om de vogel een beetje tot rust te brengen.
Ik hoop dat ze het redt, daar waar ze vast zat in het ijs had ik een bloederig stukje gezien.
Als u gaat wandelen in de buurt van bevroren water, neem een ijspik of iets wat daar op lijkt mee als u ook zo’n held wilt worden.
Of uw schaatsen, want dat het ijs dik genoeg is, in ieder geval daar, heeft de vogelredder wel bewezen.

Bevolkingsonderzoek

Een goede kennis spreekt me op straat aan.
Hij legt uit waarom ik al weken niets van hem gehoord heb.
“Ik heb meegedaan aan dat bevolkingsonderzoek. Voor je darmen, weet je wel.”
Oh ja, daar krijgt elke Nederlander tussen de 55 en 75 sedert 2014 van het RIVM een uitnodiging voor. Dat gebeurt gefaseerd, maar vorig jaar was ik kennelijk aan de beurt en kreeg ik een duur setje spullen opgestuurd, waarmee je een monster van je poep kan nemen en dat opsturen naar het RIVM. Daar kijken ze of er bloed in je poep zit, wat kan duiden op darmkanker.
Ik heb niet meegedaan en alleen geaarzeld wat ik met dat setje moest doen.
Mijn goede kennis heeft kennelijk wel meegedaan en ze vonden wat en zelfs uiteindelijk een poliepje. Maar vanochtend heeft hij een endoscopie gehad en het zag er allemaal goed uit.
Veertien dagen heeft hij in de piepzak gezeten.
Diverse onderzoeken gehad en nu kan hij weer gerust zijn.
Precies vanwege dit soort onrust heb ik niet mee gedaan.
Bovendien zie ik het als een vorm van werkverschaffing waar het rijk flink voor betaalt, o.a. aan de fabrikant van het monstersetje. U hoeft dit niet met mij eens te zijn; ik heb in de ogen van velen wel vaker extreme standpunten als het om mijn eigen gezondheid gaat.
Maar vinden we nou echt dat ons belastinggeld met die onderzoeken goed besteed wordt?
Ik lees bij het RIVM:
“In het eerste half jaar na de invoering van het bevolkingsonderzoek darmkanker is bij 763 deelnemers darmkanker gevonden. Dit blijkt uit een onderzoek van het Erasmus MC en het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in opdracht van het RIVM. Hiervoor zijn de gegevens van 190.000 genodigden geanalyseerd”. Helaas kan ik geen gegevens vinden over hoe het die 763 mensen waarbij in 2014 darmkanker is geconstateerd is vergaan sedertdien. Zou mijn goede kennis ook meetellen?
Het argument voor het bevolkingsonderzoek is:
“Darmkanker wordt ook wel een sluipmoordenaar genoemd. Het duurt lang voordat darmkanker klachten geeft en een patiĆ«nt met deze klachten naar een arts gaat”.
Ook hier heb ik zo mijn eigen gedachten over.
Ik weet van vrienden en kennissen die met klachten bij hun huisarts kwamen dat er niks gevonden werd. Keer op keer. Ook niet bij onderzoeken in het ziekenhuis. En dan ineens worden de klachten heviger en is er wel een diagnose: kanker. In de longen, in de darmen, in de slokdarm, waar dan ook.
Vaak gaat het dan nog snel ook.
Vorige week was de uitvaart van een achterneef. In augustus werd er slokdarmkanker geconstateerd. 50 jaar werd hij maar. In september was de uitvaart van de moeder van een goede vriend. 8 weken daarvoor werd longkanker geconstateerd. Een paar maanden daarvoor was er nog niets aan de hand volgens de arts in het ziekenhuis.
Ik kan zo nog wel een poosje doorgaan. En ook u lieve lezer, zal wel voorbeelden kennen.
Kanker is altijd een sluipmoordenaar.
Als het u gerust kan stellen om onderzoeken te laten doen, moet u dat vooral doen.
Maar ik vermoed dat die bevolkingsonderzoeken een vorm van dweilen met de kraan open zijn.
We leven in een van de meest vervuilde landen ter wereld; voedsel, water, lucht zijn vervuild. Met chemicaliƫn, straling enz.. In ons veel geprezen drinkwater worden steeds vaker resten van medicijnen gevonden.
Naar mijn bescheiden mening zou het RIVM niet mee moeten werken aan steeds weer verhogen van de normen van toelaatbaarheid van al die vervuiling maar duidelijke standpunten moeten innemen die de gezondheid van de bevolking ten goede zouden komen.
Maar het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu valt rechtstreeks onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daar hebben ze een paar jaar terug bedacht dat op de verpakking van kruiden en kruidenpreparaten niet meer mag staan waar ze voor werken, Zelfs de kruiden die helpen bij reiniging van je lichaam en verhoging van je immuunsysteem, beiden belangrijk bij kankerpreventie, zijn op die manier verkapt verboden. Het Ministerie is ook tegen allerlei oliƫn die gemaakt worden van cannabis en bewezen pijn en klachten verlichten bij kankerpatiƫnten.
Onze regering laat de oren hangen naar verenigingen tegen kwakzalverij en de industrie die graag door wil gaan met vervuilen.

Pijnbestrijding

Vorig jaar bracht ik 17 uur door in een Turks ziekenhuis met een vriendin die haar arm op twee plaatsen had verbrijzeld. Om dat te kunnen repareren moest een specifieke kunststof uit een grote stad komen. Dat ging kennelijk niet meer nadat de lokale orthopedisch chirurg de complexe breuken op foto’s bestudeerd had. Dat was aan het eind van de avond. Het materiaal zou de volgende dag uiterlijk rond het middaguur arriveren.
Het lange wachten op de operatie was een hel voor mijn vriendin. Diverse botsplinters drukten op zenuwbanen; wat artsen en verpleging ook probeerden, de pijn was nauwelijks te verdoven. Ze deed haar best niet steeds te schreeuwen van de pijn, ze was gigantisch stoer, mijn vriendin, maar die voor haar zo helse nacht zullen we beiden nooit meer vergeten.

Hoewel deze ervaring met het belang van pijnstilling nog vers in mijn geheugen ligt, erger ik me aan een televisiereclame voor een pijnstiller die je zo bij de drogist kunt halen en die als groot voordeel heeft dat je hem ook als een zalf kunt krijgen om de pijn in spieren en gewrichten te verlichten. Dat is een goede zaak, maar ik erger me aan deze zin: “Dan voelt u niets meer”, zegt een stem in de reclame. Als je niets meer voelt kun je weer gewoon bewegen alsof er niets aan de hand is, is de boodschap.
De vraag is of dat wel altijd zo verstandig is.
Pijn is een signaal dat er iets aan de hand is. Door de pijn te voelen ga je vanzelf je beperken, geen bewegingen maken die niet goed voor je zijn.
We hebben in de moderne samenleving een cultuur dat je voor elk wissewasje een pilletje moet kunnen krijgen of een zalfje om te smeren. We zijn medicijn verslaafd. Pijnstillers horen samen met slaapmiddelen tot de meest verslavende medicijnen.
Het lijkt me zinnig om daar spaarzaam mee om te gaan.
Dan hoef je bij minder ernstige zaken als verbrijzeling van bot geen zware pijnstillers te slikken, maar kan een aspirine al voldoende werken (weet ik o.a. uit eigen ervaring).
Onze medicijn verslaving is inmiddels zo groot, dat resten van medicijnen al in het oppervlaktewater en zelfs in ons drinkwater worden teruggevonden.

In de vee industrie wordt ook rustig doorgegaan met preventief allerlei medicamenten aan dieren geven. Al begin 80-er jaren was algemeen bekend dat door het preventief geven van antibiotica aan vee de werkzaamheid van deze middelen voor de mens zou afnemen. Inmiddels is dat al zover. Mensen zijn jarenlang of zelfs chronisch ziek door bacteriƫn die niet meer goed te bestrijden zijn, gaan weer bijna dood aan longontsteking omdat de antibiotica niet werkt en nog veel meer ellende.

We krijgen inmiddels te maken met de pijn over niet geluisterd hebben naar de milieuactivisten en -organisaties. Geld was (en is?) belangrijker dan een toekomst waarin onze gezondheid goed zou kunnen blijven.
Dat geldt niet alleen voor de vee industrie waarvan steeds meer mensen roepen dat de grote hoeveelheid dieren bij elkaar op kleine oppervlakten een steeds groter gevaar voor de volksgezondheid vormen. Dieren massaal afmaken lijken we al ‘normaal’ te zijn gaan vinden šŸ˜¦
Maar wat doen we als er echt een epidemie onder de mensen uitbreekt van een ziekte die niet te bestrijden valt? Moeten we dan ook mensen gaan ‘ruimen’?
Onze lucht is vervuild, onze grond, ons voedsel, ons water. Onze lichamen zijn steeds zieker en onvruchtbaarder.
De vraag dient zich aan of die pijn ooit nog te bestrijden valt.

Zondagsgebed

Deze mooie zondagmorgen word ik langs natuurlijke weg wakker. Als ik de rolgordijnen omhoog doe, zie ik dat de zon haar best doet door het wolkendek te schijnen. Een uur later is de lucht blauw en geniet ik van het zonlicht door mijn ramen. Na zoveel natte, donkere dagen is het een groot genot het zonlicht in volle kracht waar te nemen.
Ik ben niet alleen uitgerust wakker geworden, maar ook zeer geĆÆnspireerd. Ik schrijf een stuk aan mijn boek, bel een vriend om hem te bedanken voor ons laatste gesprek, dat heeft bijgedragen aan dat ik nu aan dit boek bezig ben. Ik schrijf een vergelijkbaar dankwoord aan de uitgeefster die ik maanden geleden sprak en wiens woorden en ideeĆ«n het proces voor dit boek in gang hebben gezet. Ik schrijf nog wat mailtjes en stukken aan het boek en dan besef ik dat het tijd wordt dat ik wat glazen lauw water tot me neem. Ik doe er een grapefruit achteraan en ga naar de kamer waar een zacht donkergroen tapijt mijn dagelijkse yoga ondersteunt. Het zonnige weer maakt dat ik zin heb mijn spieren met dansen op te warmen. In de oude cassettespeler zit al weken een cassettebandje, maar het is zo lang geleden dat ik die afspeelde dat de muziek een verrassing is. Betere dansmuziek had ik me niet kunnen wensen.
Als ik twee songs later begin met het serieuzere rekken en strekken voel ik ontroering opkomen. Ontroering over de schoonheid van het leven. En dankbaarheid over al wat me gegeven wordt en is, waardoor ik nu sinds een week met dit boek bezig kan zijn.
En dan knapt er iets.
Ik begin te huilen.
Ik huil met hart en ziel.
Mijn hart huilt om de wereld. Onze prachtige wereld, onze prachtige aarde, die heel bijzondere schepping. Snikkend begin ik te bidden.
God help us!
Help all the beings!
Help the Earth
Help the animals.
They are all so beautiful
The world is so beautiful
Please help us save the Earth and all what lives

Ik weet ook niet waarom ik altijd als ik dit soort jankpartijen heb in het Engels begin te bidden. Maar ik bid, met hart en ziel en ik bid door.
Het oude cassettebandje speelt Belfast Child van de Simple Minds.
De tranen stromen over mijn wangen, ik snik tot in het diepst van mijn wezen.
God wat houd ik van de Aarde!
De Simple Minds zingen
“..that’s flesh and blood
All the girls are crying but all’s not lost
The streets are empty, the streets are cold
Won’t you come on home
Life goes on
One day we’ll return here
When the Belfast Child sings again”

Ik neem me voor de rest van mijn leven alleen nog maar mensen te willen inspireren het goede te doen.