Rouwkaart

Zolang ik hier woon (zie vorige column ;-)) verwart de post mijn straat met een andere, tien minuten lopen hier vandaan. Ondanks de zeer afwijkende postcode krijg ik van tijd tot tijd post bezorgd voor mensen in die andere straat met hetzelfde huisnummer.
Met zelf de post daar in de bus stoppen ben ik jaren her al gestopt. Ik zet met grote letters de juiste straatnaam en verkeerd bezorgd op de envelop en stop hem in de bus van post.nl.

Donderdag ontving ik een rouwkaart.
Na de schrik van wie is er nu weer dood? volgt de opluchting dat de kaart niet voor mij bestemd is. Ja, de mens is een egoïstisch wezen.
Maar niet geheel zonder empathie en dus besluit ik de envelop die niet is dicht geplakt, open te maken. Niet uit nieuwsgierigheid, maar uit betrokkenheid. Immers, als het een uitnodiging voor een begrafenis of crematie of wat voor uitvaart dan ook is, is het misschien wel zo slim om te weten of dat al spoedig is. In dat geval wil ik de kaart zelf herbezorgen i.p.v. de omweg via de post besluit ik. Die stap is ook minder groot dan tot een aantal jaren geleden; wegens verminderen van het aantal brievenbussen ligt de dichtstbijzijnde bus inmiddels ongeveer halverwege mijn straat en die waarmee door slordig handschrift verwarring kan ontstaan.
Hoewel ik vermoed dat ik er vanwege medemenselijkheid niet aan ontkom, wil ik toch even checken of dat herbezorgen nodig is. Het kan tenslotte ook een bedankje zijn voor het bijwonen van een reeds voorbije uitvaart.
Ik krijg een soort klap in mijn gezicht als ik de kaart zie.
Voorop prijkt de foto van een prachtige blondine. Haar naar achteren in een staartje, een stralende lach onder helderblauwe kijkers. Ze is prachtig. En naar mijn schatting hooguit 24 jaar. Misschien jonger.
In een hartvorm aan de binnenkant worden prachtige eigenschappen van de mooie jonge vrouw opgesomd. Ze heet Lisa. Mooie lieve Lisa. Ik voel me een voyeur. Ik wil het niet lezen. Ik kijk naar de datum: de uitvaart is over 5 dagen. Meer hoef ik niet te weten en eigenlijk ook dat niet meer. Ik had al besloten.
Tijdens mijn fietstochtje naar het studentenhuis blijven mijn gedachten gaan naar wat er gebeurd kan zijn met de prachtige Lisa.
Zelfmoord? Zo’n prachtige meid? Met zoveel mooie eigenschappen?
Een ziekte?
Een ongeval?
Een misdrijf?
Ik zal het nooit weten.
Ik heb de tekst op de kaart niet gelezen.
Het gaat me niet aan.
Wel kijk ik op het rijtje brievenbussen of ik de naam van de geadresseerde zie staan. Maar ik zie geen Stijn. En ook de achternaam die ik net als de straatnaam nauwelijks kan lezen niet.
Ik bel aan bij een van de twee bellen zonder naambordje. Niemand reageert.
De tweede probeer ik niet. Ik besef dat ik aanbel uit nieuwsgierigheid. Want het is niet nodig; er is éen brievenbus voor alle studenten.
Ik hoop dat Stijn niet op een ander nummer woont en de kaart tijdig ontvangt.
Stijn en alle andere vrienden en vriendinnen en familie van Lisa: ik wens jullie in gedachten en vanuit mijn hart veel sterkte.

Advertenties

Paardenbloementijd

Buiten zie je waar je maar kijkt de vrolijk gele kopjes van Paardenbloemen.
Dat viel mijn kleindochtertje van net twee ook op, en zorgde voor de volgende conversatie bij de bushalte gisteren:
“Welke kleur heeft de bus?”
“Blauw!”
“Echt waar?”
Ze moest lachen en wees op de parkeermeter:
“Nee-hee, dat is blauw!” zei ze.
“Wat heeft de bus dan voor kleur?”
“Rood!”
“Nee toch!?”
Ze wees op iets in de straat dat rood was.
De bus kwam er ondertussen aan.
“Wat voor kleur heeft de bus?”
“Paardenbloem!”
Met haar op de arm liep ik de bus in.
“Chauffeur,” vroeg ik, “weet u wat voor kleur uw bus heeft?”
“Blauw!” zei de buschauffeur.
“Nee hoor, Paardenbloem!”

Het inspireerde me tot deze haiku:

Voorjaar met de bus
geel te abstract voor dreumes
kleur is ´paardenbloem!´

Het is duidelijk Paardenbloementijd. Voor mij is dat de tijd in het voorjaar om extra te ontgiften. Dat kan o.a. met behulp van paardenbloemen. De natuur zorgt voor alles op de juiste tijd.
Wie zaken rigoureus aan wil pakken of meer wil weten over Paardenbloemen verwijs ik graag naar deze site
Ik houd het zelf simpel: ik pluk wat jonge bladeren van de planten rozet en verwerk die in salades en ik gebruik de bloemen voor een lekker watertje.
Dat doe je zo:
Pluk de bloemen pal onder de steel bijvoorbeeld door daar met twee nagels af te knijpen. Zo voorkom je dat je delen van steeltjes mee plukt. Want het enige echt (licht) giftige aan de Paardenbloem is het sap in zijn stelen.
Doe de bloemen in een kan of pot met afsluitbaar deksel, giet er ruim water overheen en zet weg in de koelkast.
Je kunt twee keer per etmaal het water afgieten om te drinken. Giet al het water er af, want dan kun je de pot of kan opnieuw vullen. Je kunt dan drie dagen dezelfde bloemen blijven gebruiken en krijgt ook kleine (nuttige) verschillen in werking en smaak. Lekker dorstlessend is het altijd.

20150427_122451

Verschil

Het voordeel of zo je wilt nadeel van geen oordopjes in hebben als je reist is dat je nog eens wat hoort van je omgeving. In het verkeer geen overbodige luxe zag ik deze week weer toen de buschauffeur keihard moest toeteren om een jonge vrouw op de fiets duidelijk te maken dat ze bijna voor zijn wielen reed. Buschauffeur in de stad wordt met al die oordopjes en koptelefoons een steeds stressvoller baan.

In de bus volgde ik het gesprek van twee dames van ongeveer mijn leeftijd. Ze zaten achter mij en het was moeilijk om het gesprek niet te volgen, maar ook voor zulke beleefdheden haal ik de oordopjes van mijn mobiel niet uit de doos. Als mensen niet willen dat hun gesprek te volgen is, kunnen ze zachter praten lijkt me. Hoewel, op deze leeftijd gaat het gehoor van minstens een derde van ons flink achteruit als ik de reclames van audiciens moet geloven.
De dames hebben het over werk dat ze hebben achter gelaten en de mensen die het hebben overgenomen. “Ja”, zeg de een, “als je al een jaar weg bent, moet je het toch wel los laten.”  “Ja,” zegt de ander, “ik weet nog dat die eerst vrijwilliger was, want ik heb nog de lijst van toen.”
Het gesprek kabbelt voort en gaat vooral over wat de dames buiten de bus waarnemen. Bij een bekende horecaonderneming is er vermoedelijk van eigenaar gewisseld. De vroegere deftige uitstraling van het eeuwenoude pand wordt met roze terrasmeubelen geweld aangedaan. De dames vinden het roze maar niks.
En al die veranderingen hoeven van hen ook niet.

Als ze net als ik bij het station uitchecken weet ik zeker dat ze de 65 gepasseerd zijn; het tarief van de busrit is hetzelfde als de mijne, dus met korting. Toch wel bijzonder, want de dames zijn een halte na mij samen ingestapt, maar krijgen toch hetzelfde tarief; althans de ene die zegt: “89 cent.”
“87 cent!” roept de ander.
“Ja, verschil moet er zijn!” Schaterlachend verlaten ze de bus.
Dat verschil heb ik geregeld voor dezelfde rit ook. Maar in je eentje is het niet grappig.

 

 

 

 

Leeg hoofd

Het lijkt in de publieke ruimte alleen nog maar toe te nemen: mensen die niet meer naar elkaar maar alleen nog op hun scherm kijken.
Bij reizigers is dat gedrag helemaal opvallend.
Naar buiten kijken in de trein is er niet meer bij, praatjes maken wordt steeds zeldzamer.
Ik kijk graag naar buiten, vooral bij mooi weer op weg naar onbekende of minder bekende bestemmingen.
Zo zag ik vandaag vanuit de trein het polderlandschap van de zeevang en vond het een toekomstgericht denken waarmee de spoorlijn zo hoog aangelegd bleek. Ik was enigszins verbijsterd over het vertrouwen dat bewoners van huizen die onder een dijk van het IJsselmeer lagen moeten hebben om daar te wonen. Die woningen, waaronder veel van boeren, liggen zo laag dat bij een overstroming alleen hun dak nog boven het water uit zou steken. Dat lijkt me in deze eeuw van opwarming van de aarde en verhoging van de zeespiegel niet zonder gevaar.
Praatjes maak ik ook graag.
Vooral met mensen die hun telefoon in de aanslag hebben. 😉
“Wat een geweldige apparaten he,” zei ik tegen een mevrouw die aan de andere kant van het gangpad al een half uur intensief met haar smartphone bezig was en op dat moment mijn enige medereiziger in die coupe. Ze bevestigde mijn observatie en vertelde uit zichzelf dat ze dat ding niet de hele dag bij zich had. Maar zo in de trein was het wel fijn alle appjes even bijwerken.
De mevrouw die ik toch zeker een paar jaar ouder schat dan mezelf logenstraft het idee dat bejaarden niet met smartphones om zouden kunnen gaan.
Soms is het anders dan je denkt. Zo zat ik vorig jaar op een Turks vliegveld een uur tegenover een stel dat niet met elkaar sprak, maar allebei hun telefoon voor zich hield. Pas toen ik opstond ontdekte ik dat ze een spelletje speelden, samen 😉

De gratis metro krant was vandaag in extra grote getale op de stations aanwezig, zodat ik hem zelfs nog begin van de avond kon scoren. Ik dacht dat de grote oplage met de verkiezingen te maken zou hebben, maar daarvoor verwees de krant naar hun website.
Wat ik interessant vond waren de vijf tips om je hoofd leeg te maken op pagina 11. Want ja! dat vind ik een van de voornaamste voordelen van reizen: dat je de tijd en de rust hebt om meditatief of contemplatief bezig te zijn.
Al die mensen met hun telefoon voor hun neus maken geen gebruik van die gelegenheid.
Waarom eigenlijk niet?
Zien ze reizen als verloren tijd die ingehaald moet worden door iets te doen tijdens het reizen?
Is het reizen zo’n onderdeel van hun drukke leven dat ze blij zijn hun apps en mailtjes en Facebook even bij te kunnen werken?

Wachtend op de bus zag ik een jonge man iets doen wat ik al lang niet meer gezien had: een kruiswoordraadsel oplossen (en ondertussen naar iets door een koptelefoon luisteren, ongetwijfeld via zijn smartphone).
In de overvolle stadsbus vanaf het station moest ik blijven staan waardoor me blikken gegund werden op heel veel verschillende telefoonschermpjes. De meeste mensen bleken bezig met WhatsApp of Facebook, maar een aantal zaten ook domweg spelletjes te spelen.
Eén van de vijf tips in de Metro was deze:
Zet je telefoon op stil en stop hem in je jas of tas. Zonder deze afleiding wordt het vanzelf stiller in je hoofd.

Juist in een trein word ik makkelijk stil in mijn hoofd. Waardoor ik er veel van mijn diepste inzichten en beste ideeën heb gekregen.

20180322_192138

Shoppen

Op de markt scoor ik een leuke voorjaarsbroek en een vest voor volgende winter voor samen 9 euro. Kennelijk staat die marktkoopman ook op de Utrechtse Bazaar want daar is het plastic tasje van, waar hij het textiel voor me in verpakt.
Je kunt er
‘gezellig shoppen’ lees ik de koeienletters die erbij staan.
Meteen is mijn blijdschap over de gescoorde kleding behoorlijk bekoeld. Ik hou helemaal niet van shoppen!
Ik heb een of twee keer met mijn Griekse vriendin kleding geshopt, waarvan ik het zachtgele katoenen jasje dat ik samen met een bijpassende broek kocht nog steeds kan dragen ondanks maatveranderingen. Met een eveneens overleden andere vriendin ben ik een paar keer ‘gezellig de stad in geweest’, waarbij het er voor haar vooral om ging om relaxed rond te snuffelen bij exotische stalletjes en winkeltjes. Ik heb er nog steeds een klein houten doosje van fijn houtsnijwerk aan overgehouden met een brok amber erin die nu, decennia later, tot poeder begint te vervallen. Hoewel ik die aanschaf nog steeds waardeer, ging het mij meer om de maaltijd in een restaurant waarmee we het ‘gezellig winkelen’ afsloten.
De regenjas die ik kocht tijdens de enige keer dat ik met mijn dochter in Amersfoort ging winkelen heb ik ook nog steeds.

Ik heb dat allemaal zo goed onthouden omdat ik dat normaliter niet doe, winkelen. Ik koop liefst snel en efficiënt en vindt de kleine dinsdagse markt in Hoograven plezierig omdat hij overzichtelijk is, de prijzen er lager zijn dan op de grote weekmarkt in het centrum en ik in de loop der jaren een zekere band heb opgebouwd met de marktkooplieden. Ik blijf het plezierig vinden als ‘mijn’ groenteman zodra ik aan de beurt ben vraagt “5 witte?”, waarmee hij mijn veertiendaagse aanschaf van witte grapefruits bedoelt.
Het is comfortabel dat ‘mijn kaasboer’ precies weet welke kazen ik lekker vind en die feilloos kiest om even van te proeven. En ja, het is ook leuk als de vrouw van ‘mijn’ visboer, zelf een jonge moeder, vraagt hoe het met mijn kleindochter is.
Dat soort dingen maakt boodschappen doen gezellig.
De gezelligheid in de supermarkt moet komen van vrienden en kennissen die ik daar soms tegenkom en dan sta je altijd wel iemand in de weg..

Duurzame zaken zijn bijna niet meer te koop op markten. De aanschaf daarvan wordt meer en meer online gedaan. Dat is behoorlijk efficiënt, ook om kwaliteit en prijzen te kunnen vergelijken.
Toch worden er niet vaak pakketjes bij mij thuis bezorgd.
Om een simpele reden:
ik ben van het Konsuminderen en koop pas iets nieuws als het oude echt versleten is.
Daarom had ik behoorlijk de pest in dat ik bij mijn kaasboer een kaasschaaf moest kopen. De vorige was na vele jaren trouwe dienst van zijn handvat afgebroken. Ik had er daarom een van rvs gekocht bij de bekende huishoudzaak die nog steeds aan het inkrimpen is.
Nou snap ik waarom. Het roestvrije stalen ding ligt nu in de vuilnisbak (metalen vissen ze er toch uit hoop ik bij de afvalverwerking?) want ik kon hem niemand anders aandoen; je kon er absoluut geen recht plakje kaas mee snijden… alleen een soort bobbels..
Ik hoop dat die huishoudzaak iets aan de kwaliteit van de verkochte spullen gaat doen. Die kleine spullen koop je niet makkelijk online.
Maar kopen om weg te gooien is nog erger.

Tegenwoordig wordt Konsuminderen gewoon weer met een C geschreven. Misschien is dat een teken dat het idee erachter breder onderschreven wordt.
Misschien illustreert de leegstand van winkelpanden in de binnensteden niet alleen de toename van online aankopen doen, maar is er ook een teruggang van ‘gezellig’ shoppen…

Sterfelijkheid

Met je verstand weet je natuurlijk, ooit ga je dood.
Maar kun je je daar wat bij voorstellen?
Kun je je echt voorstellen dat je er op een dag niet meer bent?
Voor je gevoel ben je er, oneindig.
Hoe meer je in het hier en nu leeft, hoe sterker dat gevoel lijkt te zijn.
Spiritueel georiënteerde mensen denken dat het komt omdat je in wezen ook onsterfelijk bent. Je ziel, je goddelijke vonk, hoe je het ook noemt, leeft voort en aangezien dat de wezenlijke motor van je bestaan is, voel je je zelf onsterfelijk.
Het is een mooie verklaring die ik graag wil geloven.
Maar als ik doodzieke mensen zie vastklampen aan het leven ga ik daar behoorlijk aan twijfelen.
Ik behoor tot de leeftijdscategorie waarbij het wegvallen van mensen waar je een groot deel van je leven mee optrok vaak voorkomt. Ik zie en hoor dus nogal eens van alles over die doodstrijd. Vooral bij mensen die ‘de’ diagnose krijgen. Dat zijn de meesten, want inmiddels gaat een op de drie Nederlanders dood aan kanker.
De eerste reactie is vaak ongeloof. Ineens blijk je toch echt sterfelijk.
Gisteren belde weer een vriend dat hij slecht nieuws had.
In december begon hij voor het eerst ergens pijn te krijgen en de afgelopen drie weken was hij voor allerlei onderzoeken 12 keer in het ziekenhuis. Morgen komt de uitslag, maar eigenlijk weet hij die al, want op een MRI-scan waren op zijn hele lichaam ‘vlekken’ te zien.
Voor hem geen chemo’s en bestralingen, daar gelooft hij niet in. Maar hij slikt o.a. speciaal geconcentreerde kurkuma en gaat proberen zoveel mogelijk van de laatste fase van zijn leven te genieten. Zijn stem klonk broos, hij kan het nog nauwelijks geloven en.. heeft al morfine.
Ik op mijn beurt kan nauwelijks geloven dat ik hem binnenkort vermoedelijk voor de laatste keer ga zien.

Wie nog gelooft dat kanker een ziekte is die tussen de oren ontstaat zou ik willen wijzen op dat Nederland behoort tot de landen met de meeste kankersterfte binnen Europa. De helende reis van Brandon Bays wordt daarmee een weg die voor kanker bijna niet meer opgaat. Het tempo waarmee in Nederland de ziekte zich vaak ontwikkelt sluit het helen door zo’n innerlijke reis meestal uit.
Onze lucht is vuil, ons water is vuil, ons voedsel deugt niet en het barst van de straling!
Waarom protesteren we daar zo weinig tegen? Op de oude manier of op de nieuwe liefdevolle manier?

Misschien dat je eerst ziek moet worden om te geloven dat je dood gaat.
Misschien moet je eerst ervaren dat je aan kanker doodgaat voor je begrijpt hoe vervuild onze leefwereld is.
Als dat al zo moeilijk is, wordt ook begrijpelijk waarom we zo gelaten reageren op de klimaatverandering en andere grote rampen in de wereld ten gevolge van hoe we omgaan met ons leefklimaat.
Ik zie steeds vaker al dan niet wetenschappelijk onderbouwde artikelen die proberen uit te leggen dat onze hersenen niet geschikt zijn voor bewustzijn van gevolgen op de lange termijn. We kunnen ons niet zodanig een voorstelling maken van rampen die over tien of nog meer jaar kunnen gaan plaatsvinden dat we ernaar gaan handelen.
Misschien moeten we eerst grote massale rampen meemaken voor we geloven dat het echt fout gaat…

Mijn zieke vriend zei: “Misschien is het wel goed dat ik nu ga. Dan kan ik als er massale sterfte komt, jullie helpen opvangen.”

Helden

Zal ik mijn telefoon meenemen? vroeg ik me vanmorgen af toen ik op het punt stond mijn ‘leenhond’ naar huis te brengen. Hardleers als ik ben deed ik het niet. Geen gedachte komt voor niets bij je op weet ik en toch negeer ik de ingevingen nog steeds af en toe.
Aangekomen bij de Rembrandtkade had ik al spijt. Midden op het ijs zag ik een jonge man op zijn knieën zitten. Met een ijspriem was hij bezig een cirkel te hakken rond een vogel die daar vastgevroren zat.
“Oh wat goed!” riep ik hem toe. “Je bent een held!”
Hij wimpelde het compliment weg.
Ik dacht aan mijn Facebookvriendinnetje die graag filmpjes plaatst van dit soort helden die dieren redden. Als ik zo’n filmpje tegenkom, deel ik hem steevast met haar. Als ik mijn telefoon bij me had, zou ik een prachtig filmpje kunnen maken. Maar de jonge man was blij dat ik dat niet kan.
“Ik heb een hond bij me dus kan beter niet dichterbij komen, maar kan je wel helpen door een steen te zoeken of zo,” was mijn povere hulpaanbod.
“Ik denk dat het wel gaat lukken,” zei de held.
Het ijs was behoorlijk dik dus het kostte nog wel wat moeite. Vermoedelijk was de man speciaal thuis de ijspriem gaan halen en ook zijn handschoenen van een dik soort plastic leken speciaal voor de klus gemaakt. Uiteindelijk kon hij met die handschoenen in het water en de vogel met het uitgehakte ijs optillen en meenemen. Naar zijn huis vermoed ik waar hij ongetwijfeld goed voor haar zal zorgen (als ik het goed heb gezien voor zover dat gaat met zo’n steeds fladderend dier, was het een vrouwtjes merel). Toen hij met het diertje wegliep zag ik hem geruststellend zijn hand erop leggen, zoals hij dat ook een paar keer gedaan had tijdens het ijspikken om de vogel een beetje tot rust te brengen.
Ik hoop dat ze het redt, daar waar ze vast zat in het ijs had ik een bloederig stukje gezien.
Als u gaat wandelen in de buurt van bevroren water, neem een ijspik of iets wat daar op lijkt mee als u ook zo’n held wilt worden.
Of uw schaatsen, want dat het ijs dik genoeg is, in ieder geval daar, heeft de vogelredder wel bewezen.