Bevolkingsonderzoek

Een goede kennis spreekt me op straat aan.
Hij legt uit waarom ik al weken niets van hem gehoord heb.
“Ik heb meegedaan aan dat bevolkingsonderzoek. Voor je darmen, weet je wel.”
Oh ja, daar krijgt elke Nederlander tussen de 55 en 75 sedert 2014 van het RIVM een uitnodiging voor. Dat gebeurt gefaseerd, maar vorig jaar was ik kennelijk aan de beurt en kreeg ik een duur setje spullen opgestuurd, waarmee je een monster van je poep kan nemen en dat opsturen naar het RIVM. Daar kijken ze of er bloed in je poep zit, wat kan duiden op darmkanker.
Ik heb niet meegedaan en alleen geaarzeld wat ik met dat setje moest doen.
Mijn goede kennis heeft kennelijk wel meegedaan en ze vonden wat en zelfs uiteindelijk een poliepje. Maar vanochtend heeft hij een endoscopie gehad en het zag er allemaal goed uit.
Veertien dagen heeft hij in de piepzak gezeten.
Diverse onderzoeken gehad en nu kan hij weer gerust zijn.
Precies vanwege dit soort onrust heb ik niet mee gedaan.
Bovendien zie ik het als een vorm van werkverschaffing waar het rijk flink voor betaalt, o.a. aan de fabrikant van het monstersetje. U hoeft dit niet met mij eens te zijn; ik heb in de ogen van velen wel vaker extreme standpunten als het om mijn eigen gezondheid gaat.
Maar vinden we nou echt dat ons belastinggeld met die onderzoeken goed besteed wordt?
Ik lees bij het RIVM:
“In het eerste half jaar na de invoering van het bevolkingsonderzoek darmkanker is bij 763 deelnemers darmkanker gevonden. Dit blijkt uit een onderzoek van het Erasmus MC en het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in opdracht van het RIVM. Hiervoor zijn de gegevens van 190.000 genodigden geanalyseerd”. Helaas kan ik geen gegevens vinden over hoe het die 763 mensen waarbij in 2014 darmkanker is geconstateerd is vergaan sedertdien. Zou mijn goede kennis ook meetellen?
Het argument voor het bevolkingsonderzoek is:
“Darmkanker wordt ook wel een sluipmoordenaar genoemd. Het duurt lang voordat darmkanker klachten geeft en een patiënt met deze klachten naar een arts gaat”.
Ook hier heb ik zo mijn eigen gedachten over.
Ik weet van vrienden en kennissen die met klachten bij hun huisarts kwamen dat er niks gevonden werd. Keer op keer. Ook niet bij onderzoeken in het ziekenhuis. En dan ineens worden de klachten heviger en is er wel een diagnose: kanker. In de longen, in de darmen, in de slokdarm, waar dan ook.
Vaak gaat het dan nog snel ook.
Vorige week was de uitvaart van een achterneef. In augustus werd er slokdarmkanker geconstateerd. 50 jaar werd hij maar. In september was de uitvaart van de moeder van een goede vriend. 8 weken daarvoor werd longkanker geconstateerd. Een paar maanden daarvoor was er nog niets aan de hand volgens de arts in het ziekenhuis.
Ik kan zo nog wel een poosje doorgaan. En ook u lieve lezer, zal wel voorbeelden kennen.
Kanker is altijd een sluipmoordenaar.
Als het u gerust kan stellen om onderzoeken te laten doen, moet u dat vooral doen.
Maar ik vermoed dat die bevolkingsonderzoeken een vorm van dweilen met de kraan open zijn.
We leven in een van de meest vervuilde landen ter wereld; voedsel, water, lucht zijn vervuild. Met chemicaliën, straling enz.. In ons veel geprezen drinkwater worden steeds vaker resten van medicijnen gevonden.
Naar mijn bescheiden mening zou het RIVM niet mee moeten werken aan steeds weer verhogen van de normen van toelaatbaarheid van al die vervuiling maar duidelijke standpunten moeten innemen die de gezondheid van de bevolking ten goede zouden komen.
Maar het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu valt rechtstreeks onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daar hebben ze een paar jaar terug bedacht dat op de verpakking van kruiden en kruidenpreparaten niet meer mag staan waar ze voor werken, Zelfs de kruiden die helpen bij reiniging van je lichaam en verhoging van je immuunsysteem, beiden belangrijk bij kankerpreventie, zijn op die manier verkapt verboden. Het Ministerie is ook tegen allerlei oliën die gemaakt worden van cannabis en bewezen pijn en klachten verlichten bij kankerpatiënten.
Onze regering laat de oren hangen naar verenigingen tegen kwakzalverij en de industrie die graag door wil gaan met vervuilen.

Advertenties

Pijnbestrijding

Vorig jaar bracht ik 17 uur door in een Turks ziekenhuis met een vriendin die haar arm op twee plaatsen had verbrijzeld. Om dat te kunnen repareren moest een specifieke kunststof uit een grote stad komen. Dat ging kennelijk niet meer nadat de lokale orthopedisch chirurg de complexe breuken op foto’s bestudeerd had. Dat was aan het eind van de avond. Het materiaal zou de volgende dag uiterlijk rond het middaguur arriveren.
Het lange wachten op de operatie was een hel voor mijn vriendin. Diverse botsplinters drukten op zenuwbanen; wat artsen en verpleging ook probeerden, de pijn was nauwelijks te verdoven. Ze deed haar best niet steeds te schreeuwen van de pijn, ze was gigantisch stoer, mijn vriendin, maar die voor haar zo helse nacht zullen we beiden nooit meer vergeten.

Hoewel deze ervaring met het belang van pijnstilling nog vers in mijn geheugen ligt, erger ik me aan een televisiereclame voor een pijnstiller die je zo bij de drogist kunt halen en die als groot voordeel heeft dat je hem ook als een zalf kunt krijgen om de pijn in spieren en gewrichten te verlichten. Dat is een goede zaak, maar ik erger me aan deze zin: “Dan voelt u niets meer”, zegt een stem in de reclame. Als je niets meer voelt kun je weer gewoon bewegen alsof er niets aan de hand is, is de boodschap.
De vraag is of dat wel altijd zo verstandig is.
Pijn is een signaal dat er iets aan de hand is. Door de pijn te voelen ga je vanzelf je beperken, geen bewegingen maken die niet goed voor je zijn.
We hebben in de moderne samenleving een cultuur dat je voor elk wissewasje een pilletje moet kunnen krijgen of een zalfje om te smeren. We zijn medicijn verslaafd. Pijnstillers horen samen met slaapmiddelen tot de meest verslavende medicijnen.
Het lijkt me zinnig om daar spaarzaam mee om te gaan.
Dan hoef je bij minder ernstige zaken als verbrijzeling van bot geen zware pijnstillers te slikken, maar kan een aspirine al voldoende werken (weet ik o.a. uit eigen ervaring).
Onze medicijn verslaving is inmiddels zo groot, dat resten van medicijnen al in het oppervlaktewater en zelfs in ons drinkwater worden teruggevonden.

In de vee industrie wordt ook rustig doorgegaan met preventief allerlei medicamenten aan dieren geven. Al begin 80-er jaren was algemeen bekend dat door het preventief geven van antibiotica aan vee de werkzaamheid van deze middelen voor de mens zou afnemen. Inmiddels is dat al zover. Mensen zijn jarenlang of zelfs chronisch ziek door bacteriën die niet meer goed te bestrijden zijn, gaan weer bijna dood aan longontsteking omdat de antibiotica niet werkt en nog veel meer ellende.

We krijgen inmiddels te maken met de pijn over niet geluisterd hebben naar de milieuactivisten en -organisaties. Geld was (en is?) belangrijker dan een toekomst waarin onze gezondheid goed zou kunnen blijven.
Dat geldt niet alleen voor de vee industrie waarvan steeds meer mensen roepen dat de grote hoeveelheid dieren bij elkaar op kleine oppervlakten een steeds groter gevaar voor de volksgezondheid vormen. Dieren massaal afmaken lijken we al ‘normaal’ te zijn gaan vinden 😦
Maar wat doen we als er echt een epidemie onder de mensen uitbreekt van een ziekte die niet te bestrijden valt? Moeten we dan ook mensen gaan ‘ruimen’?
Onze lucht is vervuild, onze grond, ons voedsel, ons water. Onze lichamen zijn steeds zieker en onvruchtbaarder.
De vraag dient zich aan of die pijn ooit nog te bestrijden valt.

Zondagsgebed

Deze mooie zondagmorgen word ik langs natuurlijke weg wakker. Als ik de rolgordijnen omhoog doe, zie ik dat de zon haar best doet door het wolkendek te schijnen. Een uur later is de lucht blauw en geniet ik van het zonlicht door mijn ramen. Na zoveel natte, donkere dagen is het een groot genot het zonlicht in volle kracht waar te nemen.
Ik ben niet alleen uitgerust wakker geworden, maar ook zeer geïnspireerd. Ik schrijf een stuk aan mijn boek, bel een vriend om hem te bedanken voor ons laatste gesprek, dat heeft bijgedragen aan dat ik nu aan dit boek bezig ben. Ik schrijf een vergelijkbaar dankwoord aan de uitgeefster die ik maanden geleden sprak en wiens woorden en ideeën het proces voor dit boek in gang hebben gezet. Ik schrijf nog wat mailtjes en stukken aan het boek en dan besef ik dat het tijd wordt dat ik wat glazen lauw water tot me neem. Ik doe er een grapefruit achteraan en ga naar de kamer waar een zacht donkergroen tapijt mijn dagelijkse yoga ondersteunt. Het zonnige weer maakt dat ik zin heb mijn spieren met dansen op te warmen. In de oude cassettespeler zit al weken een cassettebandje, maar het is zo lang geleden dat ik die afspeelde dat de muziek een verrassing is. Betere dansmuziek had ik me niet kunnen wensen.
Als ik twee songs later begin met het serieuzere rekken en strekken voel ik ontroering opkomen. Ontroering over de schoonheid van het leven. En dankbaarheid over al wat me gegeven wordt en is, waardoor ik nu sinds een week met dit boek bezig kan zijn.
En dan knapt er iets.
Ik begin te huilen.
Ik huil met hart en ziel.
Mijn hart huilt om de wereld. Onze prachtige wereld, onze prachtige aarde, die heel bijzondere schepping. Snikkend begin ik te bidden.
God help us!
Help all the beings!
Help the Earth
Help the animals.
They are all so beautiful
The world is so beautiful
Please help us save the Earth and all what lives

Ik weet ook niet waarom ik altijd als ik dit soort jankpartijen heb in het Engels begin te bidden. Maar ik bid, met hart en ziel en ik bid door.
Het oude cassettebandje speelt Belfast Child van de Simple Minds.
De tranen stromen over mijn wangen, ik snik tot in het diepst van mijn wezen.
God wat houd ik van de Aarde!
De Simple Minds zingen
“..that’s flesh and blood
All the girls are crying but all’s not lost
The streets are empty, the streets are cold
Won’t you come on home
Life goes on
One day we’ll return here
When the Belfast Child sings again”

Ik neem me voor de rest van mijn leven alleen nog maar mensen te willen inspireren het goede te doen.

Goed jaar

Toen vorig jaar het aantal echte wenskaarten dat ik mocht ontvangen een dieptepunt van amper 10 bereikte, besefte ik ineens hoe leuk die echte kaarten eigenlijk zijn. Hoe mooi en inventief sommige digitale groeten ook zijn, ze hebben ook iets vluchtigs. Meestal bekijk je ze maar éen keer en bij het schonen van je telefoon zijn al snel al die gifjes en andere plaatjes en videootjes aan de beurt.
Toegegeven, veel standaard kerst- en nieuwjaarskaartjes verdwijnen bij het oud papier nadat ze een paar weken aan een koord gepronkt hebben. Maar je ziet ze tenminste vaker en ook je bezoek kan ze bewonderen. En dan zijn er ook de zelfgemaakte kaarten, of kaarten met prachtige teksten van mijn creatieve vrienden en kennissen die ik soms nog jaren bewaar.
Ik besloot dit jaar ergens daar tussenin te gaan zitten door mijn gigantische voorraad ansichtkaarten die ik in de loop der jaren verzameld heb, aan te spreken en iedereen een unieke kaart met een unieke wens te sturen. Geen kerstkaarten, maar mooie foto’s, bijzondere prenten en teksten. Ook de foto’s die champagnehuis Moët & Chandon ooit als relatiegeschenk gaf aan het eind van een bezoek aan hun eeuwenoude vestiging in Epernay, leken me heel geschikt. Dat de foto’s vooral van de kelders met de flessenrekken waren en van de eeuwenoude kastelen en ouderwetse tuinen, mocht de pret niet drukken. Champagne en nieuwjaar horen bij elkaar tenslotte en bovendien waren het prachtige oude kaarten van minstens 40 jaar oud.
Nog wat decemberzegels gekocht en ik ging vrolijk aan de slag.
Dat viel tegen.
Het bleek iets lastiger dan gedacht om een enigszins toepasselijke kaart te vinden voor iedereen. Het aantal bij het moment van het jaar passende echt mooie kaarten viel een beetje tegen, maar wat echt tegenviel was het vinden van het juiste adres. Kennelijk heb ik mijn adresboekje al jaren niet meer bijgewerkt.
Ook andere correspondentie blijkt al jaren volledig digitaal te gaan. Als ik bij iemand op bezoek ga, weet ik het huis meestal wel te vinden en als ik nog niet eerder op een adres geweest ben, schrijf ik dat in mijn agenda en steeds vaker als notities in de telefoon. Of ik typ het in bij 9292 of bij Google maps. Soms bel ik nog even vanuit de trein of bus om het juiste huisnummer te vragen.
Om het nog lastiger te maken had ik net een paar weken een nieuwe telefoon.
Sommige adressen kon ik nog wel terugvinden in mailtjes en Facebook chats e.d., maar door die tijdrovende klusjes was het al kerst voor ik het wist.
Na twee sets decemberzegels te hebben gebruikt, en de kaarten geschreven van mensen die op loop- en fietsafstand wonen, heb ik een groet gestuurd via WhatsApp, een bericht op FB geplaatst en een enkeling die geen van beide media gebruikt kreeg of krijgt nog een persoonlijke e-mail.
Dus sorry lieve vrienden en kennissen als jullie tot de mensen behoren die dit jaar weer geen kaart per post hebben ontvangen…
Ik beloof dat ik een nieuw adresboekje ga kopen (het oude is al jaren vol en is steeds meer op een kladblok gaan lijken met alle verhuizingen en.. overlijdens) en ik ga opnieuw verzamelen.

Ondertussen krijg ik vele lieve kaarten en prachtige wensen. Wat me vooral opvalt is dat zoveel lieve vrienden zo oprecht wensen dat 2018 een goed jaar zal worden.
Het zal tijd worden.
We zijn al jaren met zoveel Liefde bezig om het beste van onze levens te maken en daarbij – meestal stilletjes – voorbeelden voor anderen te zijn, het wordt tijd voor een kentering.

Ik wens iedereen,
nee ga er gewoon vanuit, dit wordt
een heel goed jaar!

phpd

Het kleine Schillertheater in de Utrechtse Minrebroederstraat heeft een illustere geschiedenis die eeuwen terug voert. Als ‘Plaets-Royale’ was het een logement dat o.a. in 1766 onderdak bood aan de toen 9-jarige Mozart en zijn vader. Het had vele andere bestemmingen zoals feestzaal voor het Utrechtse studentencorps en danszaal.
De huidige theaterbestemming is vooral te danken aan Hennie Oliemuller die er dertig jaar lang cabaretavonden organiseerde. Tegenwoordig wordt het beheerd door een stichting met als doel het knusse theatertje voor culturele doeleinden te behouden.
Tijdens zo’n culturele activiteit viel me op hoe ongedwongen de sfeer steevast is in het theater. De kleinschaligheid zorgt voor een intimiteit die uitnodigt tot informele presentaties.
Dat werd die avond, georganiseerd door Taalpodium, extra in de hand gewerkt door gebeurtenissen die het programma van de avond onverwacht aanvulden. Met name dat erelid Fred Penninga een paar uur eerder een koninklijk lintje had ontvangen was een gebeurtenis die om aandacht vroeg. Fred vertelde omstandig en humorvol hoe hij iets heel anders verwachtte toen hij ter stadhuize arriveerde en wat er allemaal gebeurde. Hij werd uitgebreid gefeliciteerd en alle aanwezigen leken zichtbaar te genieten van dit voor Fred zo bijzondere feit. Het leek of zijn blijdschap afstraalde op het vergrijzende ledenbestand en hun aanhang.
Dat het aanvankelijke programma uitliep was vanzelfsprekend en toen het eindelijk pauze was ging bijna iedereen op weg naar het kleine buffet dat als het ware in een zijkamertje gesitueerd is. Overal vormden zich groepjes mensen die geanimeerd met elkaar praatten en bijna en passant op weg waren naar het zijkamertje. De ons kent ons sfeer ademde mensen in en het theater uit.
Na enige aarzeling schaarde ik me niet bij de montere rij. De avond was al flink gevorderd en het deel na de pauze veelbelovend met veel namen van dichters die nog zouden optreden. Echter de volgende ochtend zou de wekker om 06:30 gaan en dus begaf ik mij naar een ander klein kamertje dat in de buurt van de uit- en ingang dienst doet als garderobe. De garderobe heeft een kleine desk waarachter een garderobejuffrouw niet zou misstaan, maar ik kan me niet heugen daar ooit iemand te hebben zien staan. Doorgaans dien je je zelf achter die balie te begeven om je jas op te hangen. De doorgang aan de zijkant van de balie laat met moeite een persoon door en dat de meeste mensen hun jas pal bij die doorgang hangen maakt de opening nog smaller. Ook de ruimte achter de balie is ronduit krap.
Kennelijk waren er meer mensen die besloten hadden in de pauze weg te gaan. Voor me ging een grijze mevrouw door de smalle opening achter de balie en achter mij ging een zwartharige vrouw net als ik keurig wachten tot de mevrouw klaar zou zijn.
De grijze mevrouw zocht en en vond haar jas in de uiterste hoek waar ook ik mijn jas had hangen. Ik kon het niet laten en vroeg brutaal maar zo vriendelijk mogelijk:
“Ach, u staat nu toch bij mijn jas. Zou u die misschien ook kunnen pakken? Die lange zwarte daar.”
“Ja natuurlijk,” zei de mevrouw maar ik kreeg toch spijt van mijn verzoek. De vrouw had duidelijk moeite met haar arm omhoog reiken en probeerde door de jas vast te pakken en naar boven te bewegen die van het haakje te laten vallen.
Ik putte me uit in verontschuldigingen. “Sorry mevrouw, ik had geen idee dat u er moeilijk bij kon komen, ik doe het zo zelf wel, neem me alstublieft niet kwalijk.”
“Ik kan wachten hoor tot u daar klaar bent met uw eigen jas, ik heb de tijd”.
Maar de vrouw poogde onverdroten door en gaf me uiteindelijk de jas over de balie aan. Terwijl ze haar eigen jas begon aan te trekken, nog steeds in de krappe ruimte achter de balie, verontschuldigde ze zich. Ze had problemen met een schouder.
De vrouw achter me passeerde me en ging demonstratief bij de doorgang staan. De grijze mevrouw verontschuldigde zich alweer en nam haar jas mee naar de smalle ruimte voor de balie zodat de andere mevrouw haar jas kon pakken. Samen stonden we onze jassen aan te trekken, terwijl ze vertelde over wat voor problemen ze had met haar gewrichten in het algemeen en haar schouder in het bijzonder. Om haar ongemakkelijke gevoel te verlichten zei ik dat ik alle begrip had voor wat er net gebeurde, ik was zelf ook niet de jongste meer tenslotte.
“Oh heeft u ook PHPD?” vroeg de vrouw.
“PHPD?”
“Ja, Pijntje Hier, Pijntje Daar”, lachte ze.
“Haha, die houden we erin!” zei ik.
Gezamenlijk liepen we naar buiten.
Zij naar de bus op het Janskerkhof, ik naar mijn fiets waarmee ik ook dezelfde richting op zou gaan. Ze vond het duidelijk jammer dat ons gesprek stokte toen ik mijn fiets bereikte.
Ik bood haar bijna aan achterop te gaan zitten, maar dat kan natuurlijk niet meer als je PHPD hebt.

Muse

Vanaf de eerste keer dat ik de muziek van Muse hoorde vond ik het geweldig. En velen vinden dat met mij. Gisteravond werd er op tv een registratie van een concert in Rome op 6 juli 2013 uitgezonden. De tv aangesloten op de geluidsinstallatie en op de laptop de teksten erbij gehaald.
Die teksten van frontman en muzikale duizendpoot Matthew Bellamy zijn minstens zo goed als de muziek en maken duidelijk dat hij zich over allerlei onrechtvaardige zaken in de wereld opwindt. Vaak cynisch: “Koop een eiland (…) koop een oceaan!”
In Uprising:
“They’ll try to push drugs that keep us all dumbed down
And hope that we will never see the truth around”
De wanhoop en boosheid gilt Matthew met zijn falsetstem de microfoon in:
“I’m lost, crushed, cold and confused
With no guiding light left inside”
In Supremacy:
“Wake to see
Your true emancipation is a fantasy
Policies
Have risen up and overcome the brave
Greatness dies
Unsung and lost, invisible to history
Embedded spies
Brainwashing our children to be mean”

Muse is een duidelijke exponent van hun eigen generatie; verontwaardigd, nauwelijks meer gelovend in een goede afloop van een wereld die geregeerd wordt door hebzucht. Verzet is nodig maar hoe doe je dat?
“Love is our resistance” zingt Bellamy.

In mijn vorige column schreef ik over een andere generatie die ook geloofde in de kracht van liefde, de hippies. Ook die generatie vond (h)erkenning bij de muziek van hun frontmannen. Er was nog minder verontwaardiging. Misschien kwam dat omdat die generatie de eerste westerse was die massaal ging blowen en een ‘tevreden roker is geen onruststoker’.
De huidige generatie jongeren rookt en slikt van van alles. Ik kan de namen van al die spullen nauwelijks meer bijhouden, laat staan de werking. Die generatie lijkt te zeggen: het maakt niet meer uit wat we doen, alles gaat toch naar de kloten.
Waar Bellamy nog oproept haast te maken met verzet en met hoge falset uitroept “we’ll win” en “We will be victorious (so come on)” lijken jongeren van nu het verzet bij voorbaat kansloos te achten.
Zorg maar voor je zelf (en de mensen waar je van houdt) en leidt een zo leuk mogelijk leven is het motto. Een leven waarbij je je ogenschijnlijk aanpast en in je vrije tijd helemaal los gaat.

Het kan ook wat gelijkmatiger. Zonder de hoge pieken en dalen van allerlei druggebruik en door je zo min mogelijk aan te passen bijvoorbeeld. Door waar maar kan niet mee te doen aan wat er allemaal bedacht is om het ‘gewone volk’ onder de duim te houden.

Ik las recent deze strijdkreet:

Wees revolutionair: eet ecologisch en lokaal!

.

Hippies

Ernst Jansz vatte in DWDD samen wat een hippie was en ik betrapte mezelf erop dat ik van oor tot oor zat te grijnzen. “Ik was een hippie en ben dat misschien nog steeds,” zong Ernst even later en ik besefte weer ten volle dat ik een kind ben van die tijd. Recalcitrant waren we, maar op een optimistische manier. We wisten zeker dat we de wereld gingen veranderen.
Nu, 50 jaar later, weten we dat niet meer zo zeker.
In gesprekken met vrienden wordt de laatste tijd nog wel eens geponeerd dat het in de wereld ‘altijd zo geweest is en wel altijd zo zal blijven’.
Het gaat in die gesprekken over de huidige situatie in de wereld, met steeds meer geschifte machthebbers en uitbuiting van het ‘gewone volk’. De verhouding tussen goed en kwaad zou onveranderlijk zijn.
“Goed en kwaad bestaan
als ze in jezelf bestaan
Niets is positief
Niets is negatief
tot je er zelf een etiket opplakt”
zei mijn eerste yoga- en meditatie lerares.

Wij hippies hadden niet alleen slogans als ‘make love, not war’ en ‘beter langharig dan kortzichtig’, maar ook ‘verander de wereld en begin bij je zelf’. We dachten dat het een besmettende werking zou hebben. Misschien is dat ook wel zo. Er zijn heel veel lieve mensen in de wereld. Mensen die bezig zijn de wereld een beetje beter en mooier te maken.
Maar maak je de wereld een beetje beter door alleen maar te zorgen dat je eigen leven vol Licht en Liefde is, een voorbeeld voor wie dat wil zien?
Als je niet vrij bent, als je leeft in een oorlogsgebied, kun je dan nog zorgen dat je eigen leven er een is van Liefde en Licht?

In de zestiger- en zeventiger jaren hadden protesten en demonstraties enorme uitwerkingen. In onze tijd lijken de machthebbers demonstraties te hebben ingecalculeerd als een niet te vermijden kwaad en werd in ons land de uitslag van het enige door het volk verlangde referendum vrijwel genegeerd. De nieuwe Nederlandse regering vindt het referendum een niet goed werkend instrument dat weer moet worden afgeschaft.
Er zijn meer dan 400.000 handtekeningen opgehaald en er moet nu toch een referendum komen over een deel van de nieuwe wet op de inlichtingendiensten; de zgn. ‘sleepwet’. CDA-leider Buma zegt openlijk de uitslag van dat referendum naast zich neer te zullen leggen. De arrogantie van de macht is ronduit schrijnend.
Sedert het raadgevend referendum in 2005 is ingevoerd, zijn er pas twee geweest. Hoe kun je dan stellen dat het een niet werkend instrument is?
Het heeft er alle schijn van dat machthebbers bang zijn geworden voor gevolgen van volksraadplegingen zoals de Brexit.

Demonstraties zijn er tegenwoordig van voor- en tegenstanders. In Catalonië zijn de verhoudingen ongeveer 50-50. Die paar mensen meer rechtvaardigden geen onafhankelijkheidsverklaring. Maar de machthebbers in Madrid kunnen het opsluiten van ministers van de tot voor kort legitieme Catalaanse regioregering ook niet rechtvaardigen.

Bij de opkomst van het internet noemden sommige mensen zich zippies. De digitale hippies droomden van een wereld zonder grenzen. Overheden doen er alles aan die digitale wereld in hun greep te krijgen. Zonder grenzen? Maar dan wel met maximale mogelijkheden om het volk te controleren!
En te manipuleren. Via socia media bijvoorbeeld. Want fake-news is een feit, ook bij het beïnvloeden van verkiezingen.

Het zijn complexe tijden.
Die vragen om mensen die ooit begonnen zijn zichzelf te veranderen, Die nu bewust zijn. Die gezorgd hebben dat hun eigen leven ok is.
En die daar met elkaar grenzeloos over communiceren op socia media.
Zo kunnen we elkaar blijven informeren over wat er mis gaat in de wereld. De echte feiten uitwisselen.
In dat licht moeten we ons wellicht meer zorgen maken over wat overheden toevoegen aan socia media i.p.v. daaruit extraheren…
De vraag wie de zoekresultaten bepalen wordt steeds prangender…
Ik vrees dat je alleen bezig houden met je eigen leven niet volstaat. Alles aanvaarden zoals het is, zonder etiketten plakken is mooi. Maar de dingen zien zoals ze zijn is niet hetzelfde als ze zo willen laten.
Hippies wilden de wereld veranderen door bij zichzelf te beginnen. Maar dat was pas het begin…