De rat

Bij een klimplant op een hoek snuffelt mijn hond. Hij doet dat meestal bij die hoek. Het is typisch zo’n hoekje dat de ene na de andere hond wil markeren met zijn geur. Maar iets aan zijn gedrag doet me kijken waaraan mijn hond snuffelt. Het blijkt een rat. Het diertje ligt half verscholen onder de klimplant op zijn of haar zij en mijn hond heeft zijn neus er ongeveer tegenaan. Ik trek hem terug. Hij is niet gebeten gelukkig.
Samen bestuderen we de rat. Hij heeft het duidelijk moeilijk; haalt met moeite adem en lijkt de situatie met ons gelaten te verdragen. Dat laatste verontrust me nog meer dan die ademhaling, waarschijnlijk is dit een stervende rat. Verbeeld ik het me nou of vraagt het dier om hulp? Maar wat voor hulp dan? Moet ik hem uit zijn lijden verlossen? Maar hoe doe ik dat dan? Met mijn wandelstok gaat me dat vast niet lukken. Moet ik op zoek naar een steen?
Maar wat voor voorbeeld geef ik mijn hond dan?
Ik besluit dat we doorlopen naar het park waar de hond even kan rennen en zijn behoefte doen. Kan ik ondertussen nadenken.

Aan het begin van het park is een milieukundige bezig met monsters nemen van het grondwater. Het blijkt niet te gaan om het grondwaterpeil maar om de verontreiniging en die is kennelijk fors. “Maar eigenlijk is dat in alle steden het geval,” vertelt de milieukundige.
“Het wordt alleen maar erger met al die stoffen die door geo-engineering over ons uitgestort worden,” zeg ik. De milieukundige kijkt me even onderzoekend aan. Ik denk oh jee, die kijkt of ik gek ben of twijfelt over wat hij zal zeggen. Het blijkt het laatste. Hij geeft een soort verontschuldigend glimlachje en zegt: “Inderdaad”.
Misschien heeft de rat wel verontreinigd water gedronken of anderszins gif binnen gekregen.
Terwijl ik met de hond ons ‘rondje park’ loop realiseer ik me dat ratten zelden gewaardeerd worden en mensen er van gruwen als ze hen op straat tegenkomen.
Soms als ik ’s avonds langs riviertje de Minstroom loop, hoor ik de ene plons na de andere; ratten die van de oever het water inspringen omdat wij eraan komen. Daarom wil ik mijn hond wel inenten tegen de ziekte van Weil.
Ratten kunnen het ook niet helpen dat ze ziekte overbrengers zijn. Maar om nou die rat op te pakken en naar de dierenarts te brengen, gaat mij ook weer te ver.

Op de terugweg blijkt de rat nog steeds op dezelfde plek. Even denk ik dat hij is overleden, maar hij ligt niet meer op zijn zij, maar als een normale rat op zijn poten en buik. Wanneer hij ons in de gaten krijgt, probeert hij weg te komen. Maar hij komt maar een paar centimeter vooruit en valt dan weer om op zijn zij.
Uit dat hij nu wel poogt voor ons weg te vluchten, leid ik af dat hij ietsje vooruit is gegaan sedert we hem drie kwartier geleden voor het eerst zagen, maar ben me tegelijkertijd ervan bewust dat zo positief denken me wel goed uitkomt. Ik heb met het dier te doen, maar kan het niet opbrengen om zijn einde te bespoedigen.
Ik ben een lafaard als het op het doden aankomt. Ondanks alle dode dieren en mensen die ik in mijn leven gezien heb, kan ik de dood zelf maar met moeite in de ogen kijken en durf ik zieke diertjes nauwelijks op te pakken, laat staan een genadeklap te geven.
Een stervende hommel, na lang aarzelen en geprobeerd te hebben of ik hem om kan keren, a la, maar een stervende rat? Wie ben ik om te oordelen over het levenseinde van een dier? Een dier dat ik goed ken en waar ik verantwoordelijk voor ben, ja daarvoor neem ik uiteindelijk soms zo’n besluit, maar laat het dan wel door een dierenarts uitvoeren en hoop ondertussen dat het niet nodig zal zijn en het dier een natuurlijke dood sterft.
Jao, de hond in mijn boek “Ja..?Oh!”, had dat goed begrepen. Jao ging ’s avonds om 11 uur zelf, i.p.v. op de met de dierenarts afgesproken tijd van 11 uur de volgende ochtend. Ik was daar heel dankbaar voor, maar het duurde meer dan een uur voor ik hem durfde aan te raken.

Ik moet opschieten, heb een afspraak en kan die moeilijk voor de deur laten staan. Ik laat de rat aan zijn of haar lot en de stedelijke vervuilde natuur over.