Gerommel met het weer

Momenteel vindt de grootste milieuramp ooit plaats en we staan nog slechts aan het begin daarvan. Sommigen noemen het klimaatverandering omdat de ramp overal in de wereld grote gevolgen heeft en de grote hoeveelheid CO2 in de lucht bijdraagt aan opwarming.

Desondanks gaan regeringen en bedrijven maar door met acties waardoor de ramp alleen maar groter wordt. Het kappen van het Amazonewoud gaat maar door, de bossen in Azië verdwijnen als sneeuw voor de zon waardoor o.a. de orang oetang al bijna geen plek meer heeft om te leven, net als zovele andere dieren zoals de Bonobo’s in Afrika. Biomassacentrales worden gestookt met hout uit alle delen van de wereld en daarvoor van vooral arme landen naar de rijkere vervoerd met vervuilende zeeschepen. Toch beweren regeringen dat ze wat doen aan het fossiele brandstofprobleem. Er worden gigantische bedragen uitgegeven aan windmolens terwijl die ecologisch totaal onverantwoord zijn. Insecten en planten sterven in hoog tempo uit en de bijensterfte zorgt nu al voor minder natuurlijke bestuiving van wilde en geteelde gewassen.

Kortom: we hebben een vervuilde wereld en moeder Aarde kan de zooi niet meer zelf opruimen.

Er zijn oplossingen bedacht; zo zou natuur zich overal kunnen herstellen als de mens 50% van de Aarde en zee ongemoeid zou laten.

Maar wat doet ‘de mens’: die gaat zich nog meer bemoeien met het aardse ecosysteem door allerlei vormen van geo-engineering. Zo zijn experimenten met het weer al decennia bezig en nemen die activiteiten toe.

Sommige wetenschappers denken de opwarming van de Aarde tegen te kunnen gaan door het zonlicht te ‘filteren’. Hoe debiel kun je zijn om daarvoor te kiezen?!

De zon is de basis van al het leven op Aarde. Door de zon groeit en bloeit alles wat leeft, door in de zon te zijn zet onze huid zonlicht om in vitamine D, dat o.a. een belangrijk onderdeel vormt van ons immuunsysteem. Door die zon te verminderen los je niets op maar maak je de problemen alleen maar groter!

Verhalen over chemtrails vond ik ooit nogal overdreven, tot ik ze met eigen ogen kon waarnemen. Zo was er een prachtige zonnige, wolkeloze dag en dacht ik even lekker in mijn tuintje onder de strakblauwe lucht in de zon te gaan liggen. Ik lag er nog maar net en ineens in de schaduw. Van vier kanten waren er ‘vliegtuigstrepen’ die bij elkaar kwamen voor de zon en daar een ‘wolk’ creëerden waardoor er ineens schaduw was!

(foto genomen na 10 minuten toen de wolk begon uit te waaieren)

Op televisie bedenken de weermannen en -vrouwen steeds nieuwe namen voor wolkenformaties die we nog maar kort kennen. En het experimenteren gaat maar door! Nu vaak ’s nachts zodat het minder opvalt, maar soms ook juist brutaler bij klaarlichte dag. De gekste stoffen worden in de lucht achtergelaten, stoffen die natuurlijk uiteindelijk op Aarde neerdalen, op onze omgeving, onze gewassen en… onze lichamen.

Iemand in Tsjechië signaleerde 1 februari helikopters die enorme ‘rook’sporen achter lieten. Het filmpje heb ik op 6 februari op mijn tijdlijn op Facebook geplaatst voor wie het met eigen ogen wil zien.

Hoe wetenschappers, bedrijven en regeringen denken om te gaan met de milieuramp, is gewoon schandalig! Geen aanpak van de oorzaken, maar nieuwe rampen creëren die zogenaamd helpen.

21 september vorig jaar hield Pieter Stuurman een lezing waarin hij uitlegt hoe we bedrogen worden en hoe het komt dat we door psychopaten worden geregeerd. Dat stopt pas als we ons niet meer willen laten bedriegen!

De rat

Bij een klimplant op een hoek snuffelt mijn hond. Hij doet dat meestal bij die hoek. Het is typisch zo’n hoekje dat de ene na de andere hond wil markeren met zijn geur. Maar iets aan zijn gedrag doet me kijken waaraan mijn hond snuffelt. Het blijkt een rat. Het diertje ligt half verscholen onder de klimplant op zijn of haar zij en mijn hond heeft zijn neus er ongeveer tegenaan. Ik trek hem terug. Hij is niet gebeten gelukkig.
Samen bestuderen we de rat. Hij heeft het duidelijk moeilijk; haalt met moeite adem en lijkt de situatie met ons gelaten te verdragen. Dat laatste verontrust me nog meer dan die ademhaling, waarschijnlijk is dit een stervende rat. Verbeeld ik het me nou of vraagt het dier om hulp? Maar wat voor hulp dan? Moet ik hem uit zijn lijden verlossen? Maar hoe doe ik dat dan? Met mijn wandelstok gaat me dat vast niet lukken. Moet ik op zoek naar een steen?
Maar wat voor voorbeeld geef ik mijn hond dan?
Ik besluit dat we doorlopen naar het park waar de hond even kan rennen en zijn behoefte doen. Kan ik ondertussen nadenken.

Aan het begin van het park is een milieukundige bezig met monsters nemen van het grondwater. Het blijkt niet te gaan om het grondwaterpeil maar om de verontreiniging en die is kennelijk fors. “Maar eigenlijk is dat in alle steden het geval,” vertelt de milieukundige.
“Het wordt alleen maar erger met al die stoffen die door geo-engineering over ons uitgestort worden,” zeg ik. De milieukundige kijkt me even onderzoekend aan. Ik denk oh jee, die kijkt of ik gek ben of twijfelt over wat hij zal zeggen. Het blijkt het laatste. Hij geeft een soort verontschuldigend glimlachje en zegt: “Inderdaad”.
Misschien heeft de rat wel verontreinigd water gedronken of anderszins gif binnen gekregen.
Terwijl ik met de hond ons ‘rondje park’ loop realiseer ik me dat ratten zelden gewaardeerd worden en mensen er van gruwen als ze hen op straat tegenkomen.
Soms als ik ’s avonds langs riviertje de Minstroom loop, hoor ik de ene plons na de andere; ratten die van de oever het water inspringen omdat wij eraan komen. Daarom wil ik mijn hond wel inenten tegen de ziekte van Weil.
Ratten kunnen het ook niet helpen dat ze ziekte overbrengers zijn. Maar om nou die rat op te pakken en naar de dierenarts te brengen, gaat mij ook weer te ver.

Op de terugweg blijkt de rat nog steeds op dezelfde plek. Even denk ik dat hij is overleden, maar hij ligt niet meer op zijn zij, maar als een normale rat op zijn poten en buik. Wanneer hij ons in de gaten krijgt, probeert hij weg te komen. Maar hij komt maar een paar centimeter vooruit en valt dan weer om op zijn zij.
Uit dat hij nu wel poogt voor ons weg te vluchten, leid ik af dat hij ietsje vooruit is gegaan sedert we hem drie kwartier geleden voor het eerst zagen, maar ben me tegelijkertijd ervan bewust dat zo positief denken me wel goed uitkomt. Ik heb met het dier te doen, maar kan het niet opbrengen om zijn einde te bespoedigen.
Ik ben een lafaard als het op het doden aankomt. Ondanks alle dode dieren en mensen die ik in mijn leven gezien heb, kan ik de dood zelf maar met moeite in de ogen kijken en durf ik zieke diertjes nauwelijks op te pakken, laat staan een genadeklap te geven.
Een stervende hommel, na lang aarzelen en geprobeerd te hebben of ik hem om kan keren, a la, maar een stervende rat? Wie ben ik om te oordelen over het levenseinde van een dier? Een dier dat ik goed ken en waar ik verantwoordelijk voor ben, ja daarvoor neem ik uiteindelijk soms zo’n besluit, maar laat het dan wel door een dierenarts uitvoeren en hoop ondertussen dat het niet nodig zal zijn en het dier een natuurlijke dood sterft.
Jao, de hond in mijn boek “Ja..?Oh!”, had dat goed begrepen. Jao ging ’s avonds om 11 uur zelf, i.p.v. op de met de dierenarts afgesproken tijd van 11 uur de volgende ochtend. Ik was daar heel dankbaar voor, maar het duurde meer dan een uur voor ik hem durfde aan te raken.

Ik moet opschieten, heb een afspraak en kan die moeilijk voor de deur laten staan. Ik laat de rat aan zijn of haar lot en de stedelijke vervuilde natuur over.