Medeschepselijkheid

Als ik het zoals in mijn vorige column heb over ‘Mensen Sporen niet’, wat ben ik dan eigenlijk aan het doen? Ben ik aan t oordelen? Waar haal ik het lef vandaan om te oordelen over anderen. Wie denk ik wel niet dat ik ben om dat te doen? Terecht reageert Loes Flendrie op die column dat het ook nog wel eens heel anders zou kunnen liggen dan ik denk.

Zulke columns, komen net als die daarvoor over ‘Verdeel en heers’ voort uit wanhoop. Wanhoop die het Utrechtse bandje de Megafoons al uitschreeuwde eind zeventiger jaren: “De wereld is een puinhoop, het is de vraag of dat goed afloopt”.  Wanhoop die voortkomt uit mijn grote Liefde voor de wereld en alles wat daarop leeft.  Wanhoop die soms leidt tot boosheid die eigenlijk weer het verdriet camoufleert.  Het zijn allemaal poginkjes om mensen aan het denken te zetten, wakker te maken.

In ‘De verwondering’  vertelt Hans Bouma over zijn gene toen hij zich in de zeventiger jaren door o.a. het rapport van de Club van Rome realiseerde dat hij de natuur tot dan toe gezien had als een soort decor. Ook Hans Bouma probeert met woorden en acties, zoals binnenkort weer een vredesdienst voor dieren, mensen wakker te maken. Vanmorgen kijkend  naar die uitzending van vandaag en luisterend naar de prachtige verwoordingen die Bouma aan zijn betrokkenheid geeft, realiseer ik me weer eens het dilemma waar ik me dagelijks voor geplaatst zie.  Reageer ik met boosheid of met Liefde? Reageer ik met wanhoop of met begrip? Reageer ik of haal ik in compassie mijn schouders op? Zeg ik wat of laat ik het?

Recent ging het tijdens een etentje over warmtepompen. Het blijkt dat om de aardwarmte te kunnen gebruiken er soms honderden meters in de grond geboord wordt om de leidingen aan te leggen. Het wordt gepresenteerd als een milieuvriendelijke manier van verwarmen.  Intuïtief wist ik, dat is ook niet goed. Hans Bouma gaf me vanmorgen het argument daarvoor toen hij vertelde over hoe bomen onder de grond met elkaar communiceren.  Bomen zijn geworteld in de aarde, de mens leeft daarop. Als de mens rekening wil houden met zijn medeschepselen, zou het wellicht een goed idee zijn om ons aan die verdeling te houden. 

Maar hoe krijgen we onze medemensen nu zo ver dat ze zich weer deel van de schepping gaan voelen en van daaruit hun verantwoordelijkheid als kroningen van de schepping weer in Liefde gaan dragen voor al onze medeschepselen?  Ook dit was weer een poginkje daartoe.

 

 

 

 

Advertenties

Twee fietsers

In de fietsstraat halen ze me in;
zij op een knaloranje fiets en met modern geknipt afrokapsel en bijpassende huidskleur, hij op een degelijke stadsfiets met grote rode fietstassen over zijn bagagedrager. Kort haar, bril, bleke kleur.
Je zou kunnen stellen dat de rode fietstassen goed passen bij haar oranje fiets, maar in mijn ogen vormen ze een onwaarschijnlijke combinatie. Niet alleen door hun totaal andere kledingstijl, maar vooral door de lichaamshouding. Die van haar is rechtop, fier en relaxed tegelijk. Je kunt aan haar levendigheid zien dat ze een opgewekt karakter heeft.
Hij heeft zo jong als hij is nu al een beetje een kromme rug, zijn schouders zijn opgetrokken.
Ze zijn bijna klaar met hun studie, of heel jonge docenten, schat ik in.
Terwijl ik achter ze blijf fietsen stel ik me ze voor, over 20 jaar.
Ik ken tenslotte wel meer onwaarschijnlijke combinaties, die heel gelukkig zijn met elkaar.
Zijn rug is nog krommer, hij oogt nog aangepaster.
Zij heeft na aanvankelijk hetzelfde saaie beroep als hij uit te hebben geoefend, gekozen voor minder carrière.
Ze zorgt voor hun twee kinderen en ze heeft een parttime job en daarnaast alle gelegenheid voor haar creatieve hobby’s. Als ze op het punt staat van haar hobby’s haar beroep te maken, krijgen ze ruzie omdat haar kleding bij een feestje van het bedrijf waar hij werkt te flamboyant is naar zijn smaak.
De verschillen beginnen haar nu zo op te breken dat ze nog geen jaar later een scheiding aanvraagt.

Of misschien vinden ze een modes en blijven ze dikke vrienden tot een van hen overlijdt. Opposites attract.

Het is een leuke prozaïstische oefening om willekeurige voorbijgangers voor te stellen als hoofdpersonen in een verhaal.
Je kunt van alles fantaseren over mensen die je toevallig op je pad even ziet in het voorbijgaan.

Maar zo kun je ook oordelen vellen, zelfs als je geleerd hebt dat niet meer te doen..

Ik ga wat langzamer fietsen.
Even later zie ik ze niet meer.

Eerste indrukken

We zitten in de koelte en bij het licht van kaarsen in de tuin na te genieten van een geslaagde dag en praten over eerste indrukken die mensen op je maken.
Zijn ons mensen bijgebleven die we gezien hebben vandaag? In het drukke restaurant waar we zo verrukkelijk gegeten hebben bijvoorbeeld? Naast de mensen van de bediening kan ik me maar éen gezicht een beetje voor de geest halen. Eigenlijk niet eens zo goed zijn gezicht, maar zijn voorkomen. Hij viel me op toen hij met een servet zijn hele gezicht en kaal hoofd afveegde. Toen hij klaar was zette hij zijn pet weer op. Het was een lange, zeker niet onknappe donkere man in gezelschap van iemand die zijn voorkomen kennelijk ook belangrijker vond dan de warmte, hij had zo’n gebreide half lange oversized rastamuts op, met een dikke rol in de nek tot op de schouders.
Mijn vriend had een vrouw onthouden die hem steeds aan zat te kijken en hem kennelijk heel leuk vond om te zien.
Ja logisch dat jij die hebt onthouden, lach ik.
Waarom maken er zo weinig mensen indruk op ons? Zijn wij zo kritisch of zo apart?
Over apart gesproken: die vriendin van hem die we ’s middags gezien hadden, vind ik wel een apart type. Nu is het de beurt van mijn vriend om te lachen. Een apart type die iemand anders een apart type vindt.
Natuurlijk vind ik mezelf niet zo apart.
Onthouden we mensen beter die we apart vinden, bijzonder, afwijkend?
Terwijl ik buiten het restaurant op de komst van mijn vriend wachtte had ik tien minuten lang een lange stoet mensen voorbij zien komen op de drukke gracht. Ik moet diep in mijn geheugen graven voor ik me daar ook maar iemand van kan herinneren. Dan herinner ik me een lang meisje met haar bebrilde vriend die het burger restaurant schuin tegenover me ingingen. Ik herinner dat omdat haar benen me opvielen: lange benen onder een spijkershort. Witte benen met aan alle kanten grote rode vlekken, alsof ze heel vreemd gezeten had ergens.
En oh ja, nog een vrouw viel me op door haar benen. Een blondine van naar schatting achter in de dertig met drie vrienden op stap. Haar bruine benen kwamen onder een eveneens blauw short vandaan. Ze was niet lang, duidelijk korter dan haar gezelschap en compenseerde dat met rode sandalen met hoge hakken. Haar benen waren goed gevormd, maar dat was niet waarom ik haar onthouden had. Haar benen zaten ruim in het vel waardoor ze tijdens het lopen volop beweging lieten zien. Afwijkende uiterlijkheden, die onthoud ik kennelijk. Zegt dat wat over mij of is dat ‘gewoon’ menselijk?
Van feestjes herinner ik me vooral de mensen waar ik een echt gesprek mee heb gevoerd.

Het bovenstaande is niet vrij van oordelen. Niet oordelen, alleen waarnemen en benoemen is moeilijker dan het lijkt en een belangrijke les bij meditaties in de boeddhistische tradities.
In het jaar dat ik mijn eerste meditatielessen kreeg, overkwam me tijdens een lang moment ‘stilzitten’ dat ik ineens allemaal gezichten voor me zag. Duizenden gezichten gingen in hoog tempo aan mijn geestesoog voorbij. Ik slaagde erin me te beperken tot waarnemen en er geen gedachtes bij te hebben of bij een gezicht te blijven ‘hangen’.
Uiteindelijk nam het tempo af en stopte het voorbij zien komen van al die gezichten en ineens wist ik: Dat waren allemaal gezichten van mensen die ik ooit in mijn leven even gezien had, even oogcontact mee had, op straat, in een bus, trein, bij een loket enz. Een deel van mijn beelddatabank die tijdens die meditatie even werd opgeschoond.
Dat ruimde op!